Conclusie
middelhoudt in dat de rechtbank op ontoereikende gronden heeft aangenomen dat de voorwerpen, voor zover daarop geen conservatoir beslag rust, zijn teruggegeven.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak heeft klaagster beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland waarin het beklag tot teruggave van inbeslaggenomen goederen deels niet-ontvankelijk werd verklaard en deels ongegrond. De rechtbank had geoordeeld dat de goederen waarop geen conservatoir beslag rustte, reeds waren teruggegeven. Deze feiten werden bevestigd door verklaringen van betrokkenen en de officier van justitie.
Klaagster stelde in cassatie dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat de goederen waren teruggegeven. De Hoge Raad onderzocht dit oordeel slechts op begrijpelijkheid en vond het oordeel niet onbegrijpelijk. Klaagster kon niet aangeven welke goederen ten onrechte als teruggegeven waren beschouwd.
Daarnaast wees de Hoge Raad erop dat eventuele onvolkomenheden in de executie van het beslag niet via cassatie maar via overleg tussen raadsman en officier van justitie moeten worden opgelost. Gezien het ontbreken van een voldoende rechtens te beschermen belang verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk.
De rechtbank had verder vastgesteld dat conservatoir beslag op enkele goederen was gelegd in verband met een ontnemingsvordering, en dat deze goederen niet waren teruggegeven. De overige goederen waren volgens verklaringen reeds teruggegeven. De Hoge Raad bevestigde dat het cassatieberoep tegen het niet-ontvankelijkverklaarde deel terecht niet-ontvankelijk is.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad en eerdere jurisprudentie werden hierbij betrokken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de betwiste goederen reeds zijn teruggegeven en er geen voldoende belang bestaat bij de klacht.