ECLI:NL:PHR:2016:127
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek wegens ontbreken ernstig vermoeden vrijspraak rijbewijszaak
Aanvrager werd door de kantonrechter veroordeeld wegens overtreding van artikel 107 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, omdat hij op 23 maart 2003 een motorrijtuig bestuurde zonder het juiste rijbewijs. De aanvraag tot herziening berustte op de stelling dat aanvrager ten tijde van de overtreding beschikte over een geldig rijbewijs B.
Ter onderbouwing werd een brief van de RDW overgelegd waaruit bleek dat aanvrager een rijbewijs B had dat in 2009 was afgegeven en geldig was tot 2019. Daarnaast werd een uittreksel uit het justitieel documentatieregister overgelegd waaruit bleek dat aanvrager ten onrechte meermalen als verdachte was aangemerkt voor soortgelijke overtredingen.
De Hoge Raad oordeelde echter dat het bezit van een rijbewijs B niet uitsluit dat aanvrager een motorrijtuig bestuurde waarvoor een ander rijbewijs vereist was, bijvoorbeeld een voertuig met een toegestane maximum massa boven 3500 kg of met een zware aanhangwagen. Hierdoor bestaat geen ernstig vermoeden dat de kantonrechter, indien hiervan op de hoogte, tot vrijspraak zou zijn gekomen.
Daarom werd het verzoek tot herziening ongegrond verklaard en bleef het vonnis van de kantonrechter ongewijzigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening ongegrond en bevestigt de veroordeling wegens het ontbreken van het juiste rijbewijs.