Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.De conclusie van de Advocaat-Generaal
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Slotsom
6.Beslissing
22 maart 2016.
Hoge Raad
De aanvrager werd door de Kantonrechter Rotterdam veroordeeld wegens rijden zonder geldig rijbewijs op 23 maart 2003. De aanvraag tot herziening berustte op een brief van de Divisie Registratie en Informatie, waaruit blijkt dat de aanvrager sinds 6 januari 1999 over een geldig rijbewijs categorie B beschikte.
De Advocaat-Generaal adviseerde de Hoge Raad om de aanvraag ongegrond te verklaren, maar de Hoge Raad oordeelde anders. Het nieuwe gegeven, dat bij de oorspronkelijke terechtzitting niet bekend was, wekt het ernstige vermoeden dat de Kantonrechter de aanvrager vrijgesproken zou hebben indien dit bekend was geweest.
De Hoge Raad verklaarde daarom de aanvraag tot herziening gegrond, beval de opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis en verwees de zaak naar het Gerechtshof Den Haag voor hernieuwde berechting. Dit arrest werd gewezen door vice-president A.J.A. van Dorst en raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond en verwijst de zaak voor hernieuwde berechting.