Conclusie
eerste middelhoudt in dat het oordeel van het hof dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van een niet-natuurlijke dood, veroorzaakt door samendrukkend of omsnoerend geweld van de hals, onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
tweede middelricht zich tegen het oordeel van het hof (6.5) dat verdachtes verklaring dat hij na het door hem beweerde vertrek ‘s ochtends op 20 juni 2009 niet meer op het campingterrein is geweest, ongeloofwaardig en aantoonbaar onjuist is.
derde middelklaagt dat het oordeel van het hof dat de vondst van DNA van een andere persoon dan verzoeker op de vuilniszak in een afvalbak bij de caravan, alsmede een voetspoor in die caravan, geen dadersporen zijn, onbegrijpelijk is en ontoereikend is gemotiveerd.
vierde middelklaagt dat het oordeel van het hof dat het gedrag van verdachte, zoals beschreven in bewijsoverweging 6.6.2, slechts verklaarbaar is indien hij [slachtoffer] om het leven heeft gebracht, onbegrijpelijk is omdat uit ’s hofs bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat degene die - volgens de redenering van het hof - het overlijden van het slachtoffer heeft veroorzaakt ook degene is die het stoffelijk overschot van het slachtoffer heeft ingepakt c.q. verborgen.