Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- A) het aan [verzoeker] c.s. kenbaar maken in een schriftelijke mededeling van een volledig overzicht van de persoonsgegevens (een lijst van alle informatiedragers zoals - niet limitatief - brieven, rapporten, overzichten, notities, deskundigenberichten, telefoonnotities, e-mailberichten enzovoorts), een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens;
- B) het aan [verzoeker] c.s. verstrekken van kopieën en/of afschriften en/of uittreksels van alle bescheiden waarop de persoonsgegevens van [verzoeker] c.s. en/of hun vennootschappen voorkomen;
- C) het aan [verzoeker] c.s. meedelen of [verzoeker] c.s. en/of hun vennootschappen betreffende persoonsgegevens uit het bestand aan derden zijn verstrekt, en zo ja aan wie;
- D) het verbeurd raken van een dwangsom van € 10.000,-, althans een door de rechtbank te bepalen dwangsom, voor iedere dag of deel daarvan dat Rabobank Weeterland of Rabobank Nederland in gebreke blijven aan de bevelen onder A t/m C te voldoen.
( [1] )en na besloten te hebben om de verzoekschriften gezamenlijk te behandelen, beslist de rechtbank – inmiddels Rechtbank Limburg, vestigingsplaats Roermond geheten - bij beschikking van 28 augustus 2013 onder meer tot het volgende:
( [2] )In zijn tussenbeschikking d.d. 20 december 2014 besluit het hof de behandeling van de verzoeken van [verzoeker] c.s. aan te houden in afwachting van het arrest van het Hof van Justitie.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
allebescheiden waarin de persoonsgegevens van [verzoeker] c.s. en/of hun vennootschappen voorkomen” worden verstrekt – (hierna: het algemene of niet nader gespecificeerde verzoek) –, is dat verzoek zo weinig specifiek dat het Rabobank ertoe dwingt om
allebij haar aan te treffen (digitale) documenten, niet één uitgezonderd, te doorzoeken om vervolgens daaruit
diestukken te selecteren waarin (telkens) ten minste één van de persoonsgegevens van [verzoeker] c.s. voorkomt en om de daarmee gepaard gaande kosten te maken. Daarbij komt dat van meer dan een vermoeden dat de gevraagde meer of andere persoonsgegevens van [verzoeker] c.s. bevatten dan reeds aan hen verstrekt, geen sprake is. Er moet gesproken worden van een ontoelaatbare ‘fishing expedition”; (rov. 7.12.4 t/m 7.1.2.9, eerste volzin).
( [3] )
onderdelen 1 en 2komen hierop neer dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting met zijn oordeel dat het recht van ‘inzage’ als bedoeld in artikel 35 Wbp Pro niet inhoudt een recht op (verstrekking van) afschriften van de stukken waarom [verzoeker] c.s. hebben verzocht.
( [4] )In dit verband wordt erop gewezen dat het Hof van Justitie in rov. 57 van zijn uitspraak van 17 juli 2014 vermeldt dat de EG-richtlijn 95/46 het aan de lidstaten overlaat om te bepalen welke concrete materiële vorm de verstrekking van persoonsgegevens aan een betrokkene moet verkrijgen opdat deze de hem met betrekking tot die persoonsgegevens toekomende rechten kan uitoefenen. Ook wordt gewezen op het Dexia-arrest van 29 juni 2007 van de Hoge Raad
( [5] ), meer in het bijzonder op rov. 3.6 uit dat arrest waarin onder meer wordt overwogen:
“Verder zal de verantwoordelijke bij de voldoening aan de door artikel 35 lid 2 Wbp Pro op haar gelegde verplichting om aan de betrokkenen een volledig overzicht van de verwerkte persoonsgegevens te verschaffen niet mogen volstaan met de verstrekking van globale informatie, doch zal zij alle relevante informatie over de betrokkene moeten verschaffen, hetgeen, afhankelijk van de omstandigheden, vaak zal kunnen – en zo nodig op aanwijzing van de rechter zal moeten – gebeuren door het verstrekken van afschriften, kopieën of uittreksels.”
( [6] )
onderdeel 5wordt het hof een onjuiste rechtsopvatting verweten door het verzoek van [verzoeker] c.s. aan te merken als onvoldoende bepaald dan wel als zo weinig concreet. Daarmee miskent het hof, zo wordt nader opgemerkt, dat het recht op inzage in principe ongeclausuleerd is en dat het verzoek om inzage niet hoeft te worden toegelicht.
in principeongeclausuleerd is, ligt besloten dat onder omstan-digheden aan een verzoek om inzage nadere eisen kunnen en mogen worden gesteld.
onderdelen 6 en 7wordt tegen het als te onbepaald aanmerken van het verzoek van [verzoeker] c.s. om inzage in bescheiden aangevoerd dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de specificatie van documenten in het beroepschrift, sub 9, derde alinea, opsommingsteken 2 t/m 5 en in het petitum van de inleidende verzoekschriften, blz. 5 en 6.
onderdeel 8wordt uit het oog verloren dat bij de afwijzing van het algemene verzoek op de grond dat het te onbepaald is, er geen aanleiding meer bestaat om in verband met dat verzoek zich de vraag te stellen of [verzoeker] c.s. zich aan de hand van de reeds verstrekte persoonsgegeven een oordeel hebben kunnen vormen. Door die vraag niet in rov. 7.12.6 in aanmerking te nemen is het hof, zoals betoogd wordt, niet van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan.
“van meer dan een vermoeden dat de gevraagde bescheiden meer of andere persoonsgegevens van [verzoeker] c.s. bevatten dan die reeds aan hen zijn verstrekt, geen sprake is.”Dit oordeel wordt bestreden als onbegrijpelijk in het licht van de in het onderdeel vermelde betwistingen door [verzoeker] c.s. van stellingen van Rabobank van de strekking dat door de bank al persoonsgegevens zijn verstrekt en dat de bank niet over (nadere of andere) persoonsgegevens van [verzoeker] c.s. beschikt dan die reeds zijn verstrekt. Die betwistingen komen vooral hierop neer dat [verzoeker] c.s. nog niet beschikken over persoonsgegevens uit bescheiden betreffende de inventarisatie van de kredietwaardigheid, interne fiatterings-stukken, bijlagen genoemd in verslagen van de kredietcommissie en besluiten over de verhoging dan wel verlaging van de CDD-status. Ook wordt gesteld dat over contacten die Rabobank met derden heeft gehad, geen gegevens in de door Rabobank aangeleverde bescheiden zijn terug te vinden.
“dat de bank onder punt 29 van het verweerschrift voldoende heeft onderbouwd dat zij alleen met haar adviseur, verweerster sub 2, de advocaat van [verzoeker] en de accountant van [verzoeker] in (derden)contact is geweest. De toezichthouders Afm/DNB en dergelijke hebben de bank nooit om persoonsgegevens van [verzoeker] gevraagd. Nu andere relevante derden door [verzoeker] niet zijn gesteld noch onderbouwd wordt dit verzoek afgewezen.”Ook dat oordeel neemt het hof in rov. 7.12.9, tweede volzin over. Dat oordeel is in appel verder ook niet bestreden. Een en ander brengt mee dat het oordeel van het hof in rov. 7.12.6 ook niet onbegrijpelijk is te achten, voor zover het gaat om uitwisseling van persoonsgegevens van [verzoeker] c.s. bij contacten van Rabobank met derden.
onderdelen 9 en 10tegen het oordeel van het hof in rov. 7.12.8 dat
“gesproken moet worden van een ontoelaatbare ‘fishing exedition’”.Tot uitgangspunt wordt genomen dat de term ‘fishing expedition’ ziet op misbruik van recht in die zin dat een bevoegdheid voor een ander doel wordt gebruikt dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Gelet hierop is het hof door het aannemen van een fishing expedition uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting – het toetst nl. niet (kenbaar) of de opgevraagde informatie binnen het doel van het inzage recht van de Wbp valt –, althans is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, nu [verzoeker] c.s. nadrukkelijk hebben gesteld dat er geen sprake is van een fishing expedition c.q. misbruik van recht.
onderdeel 12naast rov. 7.12.7 ook de rov. 7.13.5, 7.12.6 t/m 7.12.9 genoemd, uit met name de tweede volzin valt af te leiden dat met het onderdeel uiteindelijk wordt beoogd om slechts rov. 7.12.7 te bestrijden. Verondersteld wordt dat het hof in die rechtsoverweging toepassing heeft gegeven aan artikel 43, onder e Wbp. Het hof noemt echter in die rechtsoverweging artikel 43, onder e Wbp niet, terwijl het hof zich ook niet uitlaat in termen van bescherming van rechten en vrijheden van Rabobank. Anders gezegd, er zijn onvoldoende gronden om de veronderstelling dat het hof toepassing heeft gegeven aan artikel 43, aanhef en onder e Wbp voor juist te houden. Dit betekent dat onderdeel 12 geen doel kan treffen wegens gemis aan feitelijke grondslag.
onderdelen 3 en 4wordt erover geklaagd dat het hof zijn beschikking van 11 december 2014 niet van een voldoende motivering heeft voorzien door niet in te gaan op de vraag in hoeverre interne notities onder het bereik van de Wbp vallen. Er wordt op gewezen dat in het verband van grief 1 is aangevoerd dat de rechtbank het begrip interne notities te ruim heeft geïnterpreteerd.