Conclusie
conclusiestrekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
Parket bij de Hoge Raad
Bij beschikking van 15 januari 2015 wees de rechtbank Den Haag het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap af. Op 15 april 2015 stelde verzoekster beroep in cassatie bij de Hoge Raad, maar het verzoekschrift voldeed niet aan het vereiste van artikel 426a lid 1 Rv dat het ondertekend moet zijn door een advocaat bij de Hoge Raad. De griffie informeerde mr. Blok hierover en gaf een hersteltermijn van 14 dagen.
Mr. Blok verzocht om verlenging van deze termijn met nog eens 14 dagen, maar dit verzoek werd afgewezen door de rolraadsheer. Omdat het verzuim niet binnen de gestelde termijn werd hersteld, kon verzoekster niet in haar cassatieberoep worden ontvangen. De conclusie van de Procureur-Generaal was derhalve dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard moest worden.
De zaak betreft een procedure tussen verzoekster en de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst). De Hoge Raad volgde de conclusie van de A-G en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van de vereiste ondertekening.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de vereiste handtekening en het niet tijdig herstellen daarvan.