Conclusie
eerste middelklaagt over de (motivering van de) bewezenverklaring.
Het ontbreken van opzet
tweede middelbetreft de motivering van de bewezenverklaring en wel in het bijzonder het gebruik van de verklaring van [medeverdachte 3] voor het bewijs (bewijsmiddel 20). In de door het Hof voor het bewijs gebruikte verklaring van de getuige is de zin ‘Toen heeft hij de auto genomen en is weer terug naar Utrecht gekomen’ niet opgenomen.
derde middelklaagt over het gebruik voor het bewijs (bewijsmiddel 27) van een getuigenverklaring die is afgelegd in een zaak van twee medeverdachten. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank van 21 november 2012 is de getuige [medeverdachte 2] inderdaad niet in de zaak van verdachte gehoord, maar zijn verklaring is wel opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting van de zaak tegen verdachte. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank houdende de betreffende verklaring maakte daarmee onderdeel uit van het dossier van verdachte en deze verklaring kon aldus voor het bewijs worden gebruikt.
vierde middelklaagt over een ontbrekende dan wel onbegrijpelijke reactie van het Hof op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de betrouwbaarheid van de getuige [betrokkene 4] (moeder van verdachte).
"Je hoort wat hier, je hoort wat daar. Je hoort iets.Je weet zelf niet precies wat er aan de hand is."Daarna verklaart zij op pagina 1433:
"Ik kan wel horen wat mensen zeggen maar iedereen zegt verschillende dingen. Een heleboel dingen zeggen ze. Ik wil me er echt niet mee bemoeien. (...) En nu ga ik."Ondanks dat [betrokkene 4] duidelijk aangeeft dat zij steeds verschillende dingen heeft gehoord over de bewuste nacht en aangeeft niets te willen verklaren blijven de verbalisanten haar onder druk zetten om een verklaring af te leggen. Ondanks dat de kans op een speculatieve verklaring bijzonder groot is. (…)”