Conclusie
1. Inleiding
2. Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1twee klachten: (i) het UWV is een grote, ambtelijke organisatie die door middel van geautomatiseerde processen de terugvorderingen berekent, zodat er sprake kan zijn van wel opgegeven maar nog onverwerkte gegevens of van een fout in de berekeningen door het UWV; (ii) [verzoeker] heeft de eindafrekening van Essent niet betaald omdat dat van de schuldhulpverlener tijdens het minnelijke traject niet mocht. De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Klacht (i) gaat uit van (potentiële) feiten die in cassatie niet vaststaan. De Hoge Raad is op grond van art. 419 lid 3 Rv Pro geboden aan wat in de bestreden uitspraak omtrent de feiten is vastgesteld en heeft dus niet de vrijheid heeft om in afwijking van de uitspraak feiten vast te stellen op grond van de inhoud van de stukken van het geding. Van de voornoemde (mogelijke) omstandigheden kan derhalve niet worden uitgegaan. Klacht (ii) vormt een bijna letterlijke herhaling van hetgeen in het beroepschrift van 27 januari 2015 is aangevoerd en kan reeds daarom de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet aantasten.
Onderdeel 2neemt tot uitgangspunt dat het hof nergens heeft onderzocht of beoordeeld of [verzoeker] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag, aangezien in rov. 2.6 is te lezen op welke gronden het hof tot het oordeel is gekomen dat niet is voldaan aan het vereiste van art. 288 lid 1 aanhef Pro en onder c Fw. Deze gronden komen er kort gezegd op neer dat [verzoekers] financiën onvoldoende op orde dan wel inzichtelijk zijn, de kans dat tijdens de schuldsaneringsregeling nieuwe schulden zullen ontstaan te groot is, en de gestelde positieve ontwikkeling (aanmelding bij Budgetbeheer) nog van te korte duur en onvoldoende bestendig is.
onderdeel 3dat het hof ten onrechte de hardheidsclausule niet heeft toegepast, althans zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd. Daarmee miskent het onderdeel dat art. 288 lid 3 Fw Pro alleen van toepassing is indien een toelatingsverzoek wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw (art. 288 lid 1 aanhef Pro en onder b Fw) of omdat er sprake is van een onherroepelijke veroordeling (art. 288 lid 2 aanhef Pro en onder c Fw). Dat volgt uit de tekst van art. 288 lid 3 Fw Pro en hangt tevens samen met de omstandigheid dat de hardheidsclausule een eis stelt die in wezen samenvalt met de toelatingseis van art. 288 lid 1 aanhef Pro en onder c Fw (vgl. mijn conclusie vóór 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7494).