Conclusie
1. Inleiding
2. Bespreking van het cassatiemiddel
moetworden afgewezen. Alleen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen, kan het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in afwijking van art. 288 lid 1 aanhef Pro en onder b (het vereiste van de ‘goede trouw’) en art. 288 lid 2 aanhef Pro en onder c (de afwijzingsgrond ‘onherroepelijke strafrechtelijke veroordelingen’) toch worden toegewezen op grond van de hardheidsclausule in art. 288 lid 3 Fw Pro.
onderdeel 1meen ik de volgende vijf klachten te kunnen ontwaren:
Onderdeel 2klaagt dat het hof ten onrechte de hardheidsclausule niet heeft toegepast, althans zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd. Daarmee miskent het onderdeel dat, zoals ik hiervoor al opmerkte, art. 288 lid 3 Fw Pro alleen van toepassing is indien een toelatingsverzoek wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw (art. 288 lid 1 aanhef Pro en onder b Fw) of omdat er sprake is van een onherroepelijke veroordeling (art. 288 lid 2 aanhef Pro en onder c Fw). Dat volgt uit de tekst van art. 288 lid 3 Fw Pro en hangt tevens samen met de omstandigheid dat de hardheidsclausule een eis stelt die in wezen samenvalt met de toelatingseis van art. 288 lid 1 aanhef Pro en onder c Fw (vgl. mijn conclusie vóór 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7494).