Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
Skischulein Oostenrijk.
pleegtuit te oefenen.’ Bepaald moet dus worden wat ‘plegen’ is en over welke tijdspanne dat ‘plegen’ beoordeeld moet worden. Is sprake van volgtijdig werken in twee Staten, dan is ‘plegen’ te werken in
beideStaten in casu moeilijk te construeren, tenzij voor Oostenrijk van een andere referentieperiode (twee maanden) wordt uitgegaan dan voor Nederland (heel 2009), hetgeen weinig voor de hand ligt. Het arrest van het HvJ EU in de zaak
Format, de ‘Praktische Gids’ van de Commissie en art. 14(5) van de (echter pas vanaf 2010 geldende) Toepassingsverordening 987/2009 wijzen er alle op dat geen sprake is van het plegen te werken in twee Staten als het in casu om
volgtijdigwerken in twee lidstaten gaat. Alsdan is art. 14 niet Pro van toepassing en wijst art. 13 eerst Pro Oostenrijk en daarna Nederland aan.
gelijktijdiguitoefenen van werkzaamheden in twee loondiensten naast elkaar in twee lidstaten, dan kan de referentieperiode beperkt worden - voor
beideStaten – tot de overlapperiode (de verlofperiode). Alsdan zijn er twee helaas anachronistische aanwijzingen - het verouderde HvJ EU-arrest
Football-Club d’Andlau(dat onder de verouderde verordening No. 3 is gewezen) en art. 14(5) van de nieuwe Toepassingsverordening 987/2009 (die echter pas vanaf 2010 geldt) - dat de belanghebbende in beide lidstaten placht te werken. Dan is art. 14(2)(b)(i) Vo. 1408/71 wél van toepassing, dat alsdan uitsluitend de wetgeving van het woonland van de werknemer aanwijst: Nederland.
in Oostenrijkopleverde.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Skischule. Naar nationaal recht was zij gedurende het gehele jaar als inwoonster verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen.
Skischule. Voor de maanden januari en februari 2009 heeft zij vrijstelling gevraagd van heffing van premie volksverzekeringen in verband met haar werkzaamheden in Oostenrijk.
3.Het geding in cassatie
4.Het premie-inkomen; heeft de belanghebbende belang bij haar beroep?
5.De Europese coördinatieregels: Vo. 1408/71 en dier opvolgster Vo. 883/2004
beideStaten
dezelfdereferentieperiode moet zijn. In de zaak
Format(zie 7.7 hieronder) heeft de advocaat-generaal Mazák voorgesteld om een periode van twaalf maanden als uitgangspunt te nemen, maar het HvJ EU is daar niet op in gegaan. Wel heeft hij in die zaak terloops overwogen dat ‘louter incidentele’ werkzaamheden in een andere lidstaat veronachtzaamd worden voor de beoordeling of van ‘plegen’ sprake is:
“Werkzaamheden in loondienst verrichten”
Partena: [16]
feitelijke) werkzaamheden worden uitgeoefend.
Partenablijkt dat de Lidstaten in beginsel geen van de feitelijke werkplek afwijkende plaatsficties kunnen toepassen. Het HvJ EU antwoordde als volgt op de volgende vraag van het Brusselse arbeidshof:
- in de zaak
- het in belanghebbendes zaak niet om een nationaal-wettelijke fictie gaat, zoals in
- hoewel onderdeel 7 van Bijlage VI niets zegt over de plaats van de door dat onderdeel gefingeerde werkzaamheden in loondienst, dat onderdeel geldt voor Nederland ‘voor de toepassing van Titel II van de Verordening’,
in Nederlandwerkzaamheden in loondienst te hebben verricht. Alsdan heeft zij gedurende het verlof gelijktijdig in twee lidstaten gewerkt en was zij volgens art. 13 in Pro die periode dubbel verzekerd, hetgeen niet de bedoeling van de Verordening is en hopelijk door art. 14 wordt Pro voorkomen.
pleegtuit te oefenen.’ De vraag is dus of zij dat ‘placht’ te doen. Ik meen, anders dan kennelijk de belanghebbende, dat ‘plegen’ te werken zowel gelijktijdig als volgtijdig kan geschieden. Ook het Hof is daar kennelijk vanuit gegaan.
Placht de belanghebbende in twee lidstaten werkzaamheden in loondienst uit te oefenen?
volgtijdigin Oostenrijk en Nederland werkte (dat onderdeel 7 Bijlage VI dus niet meebrengt dat zij tijdens haar loondienst in Oostenrijk ook werkzaamheden in loondienst in Nederland uitgeoefend zou hebben). Vervolgens (onderdelen 7.16 t/m 7.19) bespreek ik de toepassing van art. 14(2)(b)(i) Vo. 1408/71 voor het geval zij wél geacht moet worden tijdens haar verlof gelijktijdspannig (naast elkaar) in beide lidstaten gewerkt te hebben.
in Nederlandplacht te werken (dat is het geval), maar of zij ook
in Oostenrijkplacht te werken (dat is minder vanzelfsprekend).
plegente verrichten’ wordt bedoeld (ter vermijding van tobben en razernij: art.
13Vo. 883/2004 komt overeen met art.
14Vo. 1408/71):
elkjaar enige maanden in Oostenrijk en de rest van het jaar in Nederland). Is er niet zo’n patroon, dan moet volgens de Commissie de toepasselijke wetgeving worden vastgesteld ‘krachtens elke overeenkomst en voor elke lidstaat afzonderlijk’, dus op basis van art. 13 Vo Pro. 1408/71 (plaats van werkzaamheid) en niet op basis artikel 14 Vo Pro. 1408/71 (conflictregel). Dat betekent, zoals bleek: Oostenrijkse wetgeving voor de Oostenrijkse werkperiode en Nederlandse wetgeving voor de Nederlandse werkperiode.
Format [25] over een Poolse onderaannemer die een werknemer driemaal, op basis van drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde duur, voltijds had tewerkgesteld in een andere lidstaat. Hoewel de contracten tewerkstelling in diverse lidstaten toelieten, werden de werkzaamheden feitelijk steeds volledig binnen één lidstaat uitgeoefend (respectievelijk in Frankrijk, Frankrijk en Finland). Het HvJ EU zag geen groter verband waarin de betrokkene “pleegde te werken in twee of meer lidstaten” en verklaarde voor recht:
volgtijdigwerken in verschillende lidstaten gaat. Alsdan zijn het voorbeeld uit de ‘Praktische Gids’ en de zaak
Formatrelevant en komen wij uit bij art. 13 (plaats van werkzaamheden), zodat tijdens de (zomer)baan in de ene lidstaat die Staat bevoegd is en tijdens de (winter)baan in de andere lidstaat die andere Staat. Dat is pas anders als die verschillende (zomer- en winter)banen een vast jaarlijks patroon of groter verband vertonen; pas dan is – in geval van volgtijdigheid - sprake van ‘plegen’ te werken in twee of meer lidstaten en wordt art. 14 van Pro toepassing, dat één lidstaat voor het hele verzekeringstijdvak aanwijst.
Kik [27] . Hoewel u de voor onze belanghebbende relevante vraag 2 zeer algemeen heeft gehouden (Welke wetgeving wijst Vo. 1408/71 aan?), blijkt uit uw r.o. 3.9.12 dat u ook antwoord wilde op de vraag welke referentieperiode gebruikt moet worden bij de beoordeling of een werknemer ‘pleegt’ te werken op het grondgebied van twee of meer lidstaten in de zin van art. 14(2)(b)(i) Vo. 1408/71. Er blijkt ook uit dat u ervan uitgaat dat die conflictbepaling slechts zou zien op gevallen waarin de (feitelijke?) werkzaamheden in twee verschillende lidstaten
volgtijdigworden uitgeoefend (dat lijkt mij overigens onjuist, althans ik meen dat met ‘gelijktijdig’ bedoeld wordt ‘naast elkaar’, i.e. gelijktijd
spannig, bijvoorbeeld gedurende een langere tijdsspanne steeds twee dagen per week in de ene en drie dagen per week in de andere Lidstaat):
2. Wanneer kan iemand beschouwd worden als "iemand die in twee of meer lidstaten werkzaamheden pleegt te verrichten"?
anderereferentieperiode genomen zou moeten worden (het Oostenrijkse verzekeringstijdvak: drie c.q. twee maanden) dan voor het andere land (Nederland: heel 2009 of langer). Als wij voor beide landen dezelfde
langeperiode nemen (een jaar of meer), dan placht de belanghebbende niet in Oostenrijk te werken; nemen wij voor beide landen dezelfde
korteperiode (de verlofperiode) als referentietijdvak, dan placht zij in die periode wel in Oostenrijk, maar niet in Nederland te werken. Dan is in geen van beide gevallen art. 14 van Pro toepassing en wijst art. 13 Oostenrijk Pro aan als bevoegd voor de maanden januari en februari 2009 en Nederland voor de rest van het jaar.
acteechter niet vinden, en het resultaat ziet er ook weinig wenselijk uit voor iets extremer liggende gevallen, zoals dat van een Nederlandse werknemer die eenmalig tijdens zijn (doorbetaalde) zomervakantie drie weken een betaalde baan in Frankrijk aanneemt: ik meen dat deze werknemer niet in Frankrijk pleegt te werken, zodat art. 14 niet Pro werkt en art. 13 tot Pro verzekering in de
feitelijkewerkstaat leidt, hoewel het mij niet de bedoeling van de Verordening lijkt dat bij zulke korte en eenmalige perioden de aansluiting bij een sociale-zekerheidsstelsel versnipperd raakt. U vergelijke ook uw r.o. 3.9.12 in de zaak
Kik(zie 7.10 hierboven): u twijfelde over een periode van negen dagen werk op het Nederlandse continentale plat (dat echter niet als Nederlands territoir bleek te gelden). Drie weken voltijds aaneengesloten lijkt voorts te lang en substantieel om te spreken van te veronachtzamen ‘louter incidentele’ werkzaamheden in de zin van de zaak
Format(r.o. 44; zie het citaat in 5.11 hierboven).
voortgezet), zodat zij in de verlofperiode
gelijktijdigin Oostenrijk en Nederland werkzaamheden in loondienst uitoefende. Alsdan kan de referentieperiode (de pleegperiode) – voor de beoordeling door
beideStaten – beperkt worden tot de periode van temporele samenloop van de ‘werkzaamheden’ (tot de verlofperiode) en zijn er twee aanwijzingen dat zij wél onder art. 14(2)(b)(i) Vo. 1408/71 valt, helaas beide anachronistisch:
ongeacht de duuren de aard van deze afzonderlijke werkzaamheid” (
curs. PJW).
nietonder art. 14 Vo Pro. 1408/71 te vallen; de Commissie lijkt te menen dat wél regelmaat over een langere periode (een patroon) vereist is en dat ‘ongeacht de duur’ slechts betekent dat het niet uitmaakt dat het maar om een paar uur per week gaat, of om werk alleen in de weekends, of om slechts een dag per maand.
Foot-ball Club d’Andlau [31] over een groep Duitse musici die incidenteel optrad op drie dansavonden (op 14 Februari, 11 April en 17 Mei 1970) van de genoemde voetbalclub in Frankrijk. De Franse
Caisse primaire d'assurance maladie de Sélestatwenste premies van de inhurende
Foot-ball Clubte ontvangen. Het HvJ EU oordeelde echter dat de musici op grond van art. 13(1)(c)(1e) Vo. nr 3 (vergelijkbaar met art. 14(2)(b)(i) Vo. 1408/71) in hun woonstaat Duitsland verzekerd waren mits zij aldaar aangesloten waren. Hij overwoog over de term “
in de regelin verscheidene lidstaten werkzaam zijn” in die bepaling als volgt:
Format- dat in geval van uitoefening van werkzaamheden naast elkaar in twee lidstaten zelfs bij ‘incidenteel’ optreden in een andere lidstaat al sprake is van ‘in de regel’ uitoefenen (thans: ‘plegen’ uit te oefenen) van werkzaamheden: drie verspreide incidentele dansavonden bleken al voldoende om art. 13(1)(c)(1e) Vo. nr. 3 te activeren, dus om te spreken van ‘in de regel’ optreden in twee lidstaten. Het leidt wel tot een denkelijk wenselijke uitkomst: voorkoming van versnipperde verzekering bij incidentele of voorbijgaande werkzaamheden (ook) in een andere lidstaat dan de gewone werk/woonstaat. Dat wenselijke resultaat kan echter – in elk geval thans – ook bereikt worden door ‘louter incidentele’ werkzaamheden voor de toepassing van de toewijzingsregels te veronachtzamen, zoals het HvJ EU deed in de recentere zaak
Format. Misschien speelde in de zaak
Foot-ball Club d’Andlaueen rol dat het om een
bandging, die naar zijn aard alleen maar incidentele
gigsspeelt, elke avond ergens anders, waardoor het incidentele als het ware structureel wordt, maar de geciteerde r.o. 10 is volstrekt algemeen geformuleerd. Ik merk nog op dat de musici arbeidsrechtelijk wellicht geen werknemers maar vrije jongens waren, en alleen voor de belasting- en premieheffing als (fictief) werknemer van de feestorganisator werden aangemerkt. Dan gaat het overigens eerder om
volgtijdigewerkzaamheden dan om werkzaamheden naast elkaar in twee landen, nu musici niet tegelijk fysiek in twee landen kunnen optreden (behalve met één been in het ene en één been in het andere land).
clartéopmaken (i) of in haar geval sprake is van volgtijdige werkzaamheden in twee lidstaten voor twee in verschillende lidstaten gevestigde werkgevers of van gelijktijdige werkzaamheden naast elkaar in twee lidstaten voor twee in verschillende lidstaten gevestigde werkgevers, (ii) of belanghebbendes eenmalige uitstap naar Oostenrijk het ‘plegen uit te oefenen van werkzaamheden’ in Oostenrijk opleverde, met name niet welke referentieperiode daarvoor bezien moet worden.
8.Beoordeling van de middelen
acte clairof
éclairézijn en daarom nopen tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU.