Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
( [1] )
( [2] )Daarin wordt slechts gesproken van een garantiestelling door de consoliderende moedermaatschappij.
( [3] )Bij een werking van de hoofdelijke aansprakelijkheid als die van een borgtocht zal de mate waarin de moedermaatschappij uit hoofde van de aanvaarde hoofdelijke aansprakelijkheid kan worden aangesproken, afhangen van de mate waarin
op dat momentde vrijgestelde groepsmaatschappij (nog) zelf voor de betrokken schuld kan worden aangesproken.
( [4] )heeft de Hoge Raad evenwel toekenning van de werking aan een 403-verklaring als die door mr. Eikendal q.q. verdedigd, afgewezen. De Hoge Raad vat daarbij de 403-verklaring op als een niet tot een bepaalde partij gerichte eenzijdige rechtshandeling op grond waarvan rechtstreeks aansprakelijkheid van de moeder-maatschappij ontstaat (rov. 3.4.3). Wat een dergelijke 403-verklaring in een concreet geval inhoudt of meebrengt, moet, aldus de Hoge Raad, door uitleg van de betrokken verklaring worden vastgesteld (rov. 3.4.2). Na vooropgesteld te hebben dat de door Akzo Nobel als moedermaatschappij afgelegde 403-verklaring inhoudt dat Akzo Nobel zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor schulden die uit rechtshandelingen van een – aanvankelijk – onder Akzo Nobel ressorterende dochtervennootschap voortvloeien en dat bij de uitleg van die 403-verklaring de aard en strekking van die verklaring een rol spelen, oordeelt de Hoge Raad dat van een onjuiste rechtsopvatting getuigen de oordelen dat de 403-verklaring in de verhouding van de contractant van de dochtermaatschappij tot de moedermaatschappij Akzo Nobel leidt tot een afhankelijk recht als bedoeld in de artikelen 3:7 en 3:82 BW en dat de moedermaatschappij Akzo Nobel in de positie is komen te verkeren als had zij zich ten behoeve van de dochtervennootschap jegens de contractant tot borg gesteld (rov. 3.4.5 en 3.4.6).
( [5] )
“de onder c bedoelde rechtspersoon of vennootschap schriftelijk heeft verklaard zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van de rechtspersoon voortvloeiende schulden.”
( [6] )