Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Geding voor de Rechtbank en het Hof
4.Geding in cassatie
eerste middelkomt belanghebbende op tegen het oordeel van het Hof dat het verdedigingsbeginsel in de gegeven omstandigheden niet met zich meebrengt dat belanghebbende voorafgaand aan het vaststellen van de voor hem bezwarende beschikking omzetbelasting de gelegenheid had moeten worden gegeven kennis te nemen van de gronden waarop de beschikking zou worden gebaseerd.
overige drie middelenhebben betrekking op de oordelen van het Hof ten aanzien van belanghebbendes kennelijk onbehoorlijk bestuur. Als gezegd (zie punt 1.4) ga ik in deze conclusie niet nader op deze middelen in.
5.Vooraf
6.Strekt het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel zich uit tot de btw?
een grondbeginsel van het gemeenschapsrechtvormt, dat zelfs bij ontbreken van elke regeling betreffende procedure in acht moet worden genomen (…).” [14]
in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst,
maar niet daarbuiten. In zoverre heeft het Hof er reeds aan herinnerd dat het een nationale regeling die niet binnen het kader van het Unierecht valt, niet aan het Handvest kan toetsen. Wanneer daarentegen een nationale regeling binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt, moet het Hof, (…) alle uitleggingsgegevens verschaffen die de nationale rechter nodig heeft om te kunnen beoordelen of deze regeling verenigbaar is met de grondrechten waarvan het de eerbiediging verzekert (…)
voor de lidstaten wanneer deze optreden binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie.”
wanneer zij besluiten nemen die binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen, (…)
wordt met belastingboeten en strafvervolging wegens belastingfraude, zoals die waarvan de verdachte in het hoofdgeding het voorwerp is of is geweest wegens verstrekking van onjuiste inlichtingen op btw-gebied, uitvoering gegeven aan de artikelen 2, 250, lid 1, en 273 van richtlijn 2006/112 (voorheen de artikelen 2 en 22 van de Zesde richtlijn) en artikel 325 VWEU Pro [22] , en dus aan het recht van de Unie in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest.
nationale regelingen die als grondslag dienen voor die belastingboeten en strafvervolgingen niet zijn vastgesteld om uitvoering te geven aan richtlijn 2006/112, doet niet af aan die vaststelling, aangezien met de toepassing van deze regelingen wordt beoogd schending van de bepalingen van deze richtlijn te bestraffen en dus uitvoering te geven aan de door het Verdrag [23] aan de lidstaten opgelegde verplichting om gedragingen waarmee de financiële belangen van de Unie worden geschaad, effectief te bestraffen.”
Btw-fraude en EU-beginselen; recht zeker?”, TFB 2014/01, aan dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie voor de btw van toepassing is: [31]
De invloed van het Europese Handvest op de btw”, BTW-bulletin 2013/19, geeft zij aan:
7.Kunnen bestuurders het verdedigingsbeginsel inroepen?
wanneer een nationale regeling binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt, zodat er geen gevallen kunnen zijn waarin het Unierecht geldt zonder dat die grondrechten toepassing vinden. Wanneer het Unierecht toepasselijk is, impliceert dit dat de door het Handvest gewaarborgde grondrechten toepassing vinden.
daarentegen een juridische situatie niet binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt, is het Hof niet bevoegd om daarover uitspraak te doenen kunnen eventueel aangevoerde bepalingen van het Handvest op zich niet de grondslag vormen voor die bevoegdheid (….)”
het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Volgens de bewoordingen van het tweede lid van dit artikel, breidt het Handvest het toepassingsgebied van het recht van de Unie niet verder uit dan de bevoegdheden van de Unie reiken en “schept [het] geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de Unie, [en] wijzigt het de in de Verdragen omschreven bevoegdheden en taken niet”. Het Hof moet het recht van de Unie dus binnen de grenzen van de aan hem toegekende bevoegdheden in het licht van het Handvest uitleggen (…).
een zeker verbandbestaat tussen
de Unierechtelijke handeling en de betrokken nationale maatregel, dat
verder gaat dan het dicht bij elkaar liggen van de betrokken materies of de indirecte invloed van de ene materie op de andere(…)
of zij de uitvoering van een Unierechtelijke bepaling beoogt,
wat de aard van deze regeling is en of zij niet andere doelstellingen nastreeft dan die waarop het Unierecht ziet, ook al zou die regeling dit recht indirect kunnen beïnvloeden, en of er een
Unierechtelijke regeling bestaat die specifiek is voor deze materieof deze kan beïnvloeden (zie arresten Annibaldi, EU:C:1997:631, punten 21-23; Iida, C-40/11, EU:C:2012:691, punt 79; Ymeraga e.a., C-87/12, EU:C:2013:291, punt 41, en Siragusa, EU:C:2014:126, punt 25).
8.Is het verdedigingsbeginsel geschonden?
en alvorens een besluit wordt genomendat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden (zie arrest M., EU:C:2012:744, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zoals vermeld in punt 31 van het onderhavige arrest moet dat recht worden geëerbiedigd, ook al voorziet de toepasselijke regeling niet uitdrukkelijk in een dergelijke formaliteit (zie arrest G. en R., EU:C:2013:533, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”
geen absolute gelding hebben, maar beperkingen kunnen bevatten, mits deze
werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belangdie met de betrokken maatregel worden nagestreefd, en (…) niet zijn te beschouwen als een
onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast (…) [45] .”
waarmee de financiële belangen van de Unie worden geschaad, effectief te bestraffen.”
het nagestreefde doel in aanmerking genomen, geen onevenredige en onduldbare ingreep impliceren waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast (zie in die zin reeds aangehaald arrest Dokter e.a., punt 75, en arrest van 18 maart 2010, Alassini e.a., C-317/08 – C-320/08, Jurispr. blz. I‑2213, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”
aangezien betaling kan worden uitgesteldin geval van bezwaar en de uitnodiging tot betaling
kan worden geschorst in afwachtingvan de uitkomsten van bezwaar (en beroep) krachtens de nationale regels.”