Conclusie
opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren waarbij het hof enkele bijzondere voorwaarden heeft gesteld. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van en de benadeelde partij voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.
het recht juist heeft toegepast” voor wat betreft de door haar geleden schade en de kosten die zij in verband met de vordering heeft gemaakt. Nu de brief niet bevat, “
middelen over een rechtspunt hetwelk uitsluitend haar vordering betreft”, moet deze verder buiten beschouwing blijven.
eerstemiddel wordt geklaagd dat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte “
door zijn handelen een beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen de moeder en haar minderjarige dochter”, in het bijzonder in het licht van het ter terechtzitting gevoerde verweer dat de moeder ook na het bekend worden van de beschikking van de rechtbank Amsterdam nog steeds de mogelijkheid had om haar dochter op te halen en de scheiding tussen moeder en dochter ontstond door het vertrek van de moeder zonder de dochter.
hij in de periode van 25 april 2013 tot en met 6 juli 2013 te Mostar, opzettelijk een minderjarige, te weten [betrokkene 1] (geboren op [...]-[...]-2011), waarvan de moeder is genaamd [de benadeelde partij], en waarvan hij, verdachte, de vader is, en die beiden het ouderlijk gezag uitoefenen,
is bepaald dat het minderjarige kind van partijen, [betrokkene 1], met onmiddellijke ingang aan de vrouw zal worden toevertrouwd met bevel dat de man [betrokkene 1] aan de vrouw afgeeft;
deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad is verklaard;
NJ1959/17, vermeldt die eis niet. Wel wordt in de (overigens schaarse) literatuur aangenomen dat de verdachte ‘beslissende invloed’ moet hebben gehad op de scheiding tussen de minderjarige en degene die het gezag of opzicht uitoefent. Ik verwijs in dit verband naar Machielse die in zijn bewerking van Noyon/Langemeijer/Remmelink bij art. 279 Sr Pro opmerkt “
dat de onttrekker op het ruimtelijk gescheiden zijn of blijven van de minderjarige van de rechthebbende beslissende invloed moet hebben.” [1] Van der Meij schrijft dat vereist is “
dat de dader beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen de minderjarige en degene die het gezag op opzicht uitoefent.” [2] Fleskens wijst op het belang “
dat de onttrekker beslissende invloed heeft gehad op het onttrekken of het onttrokken houden van de minderjarige. De mate van invloed bepaalt of sprake is van overtreding van artikel 279 Sr Pro.” [3] Naar mijn mening echter berust de in de literatuur gestelde eis van een ‘beslissende invloed’ in de onderhavige casuspositie op een onjuiste uitleg van art. 279 Sr Pro.
strafbare feiten van geheel verschillende qualiteit” vallen, hetgeen de “
interpretatie moeilijk” maakt, zoals Röling constateerde in zijn noot onder HR 22 april 1958,
NJ1959/17. Ten minste vier gedragingen zijn te onderscheiden. Art. 279 Sr Pro kan worden toegepast op “
kinderdieverij” [4] ofwel “
kinderroof”, dat in de woorden van Van Bemmelen & Van Hattum “
gelijk staat met mensenroof, en eigenlijk dit laatste in immoraliteit nog overtreft”. [5] Zij verwijzen daarbij naar “
een interessant, maar droevig geval van kidnapping, gepleegd door zigeuners, die een vierjarig knaapje stalen, hetwelk – ook nog maar door een toeval – op zijn 8e aan zijn ouders kon worden teruggegeven, doch voor het leven bedorven bleek.” [6] Kinderroof is in de onderhavige zaak niet aan de orde.
wordtonttrokken of dat de minderjarige
zich zelfheeft onttrokken (hetgeen niet strafbaar is op grond van art. 279 Sr Pro). Vandaar dat Langemeijer de vraag opwierp: “
Waar ligt nu, indien de minderjarige toestemt en medewerkt, de grens tussen de gevallen waarin hij zich zelf onttrekt en die waarin hij onttrokken wordt?” [7]
de verdachte in zodanige mate heeft bijgedragen aan de scheiding tussen de minderjarige en haar ouders, waardoor deze buiten het gezag van haar ouders kwam te verkeren dat kan worden gezegd dat de verdachte (tezamen met een ander) die minderjarige aan het wettig gezag heeft onttrokken”. In zo een geval – waarin de minderjarige zelf heeft bijgedragen aan de scheiding van het gezag of toezicht – kan worden gezegd dat de ouder of een derde de minderjarige aan het gezag of opzicht onttrekt indien hij beslissende invloed heeft gehad. Of de verdachte een zodanige ‘beslissende’ invloed heeft gehad op het onttrekken, moet in ieder geval op zichzelf worden bekeken, hetgeen Hazewinkel-Suringa samenvatte in het “
jus in causa positum". [9]
De delictsbestanddelen kunnen ook zijn vervuld wanneer de minderjarige zelf besloten heeft weg te gaan van degene die het wettig gezag of bevoegd opzicht uitoefenen.” [10] Machielse merkt in verband met de maatstaf van de beslissende invloed op: “
Wie het initiatief genomen heeft kan niet beslissend zijn. Of de minderjarige uit zich zelf het voornemen tot vluchten heeft opgevat dan wel door een ander daartoe gebracht is doet niet af aan de materiële elementen van het misdrijf.” [11] De rechtspraak waarnaar hij verwijst, heeft telkens betrekking op een minderjarige die zelf enigermate aan de onttrekking heeft bijgedragen. Ook de literatuur mag dus niet zo worden gelezen dat daarin wordt bepleit deze maatstaf onder alle omstandigheden aan te leggen voor de beoordeling van de vraag of strafbaarheid op grond van art. 279 Sr Pro te mag worden aangenomen.
ook enig initiatief van de kant van de moeder verwacht” mag worden, is daarom onjuist. De verdachte heeft de minderjarige aan het gezag van de moeder onttrokken door de minderjarige niet aan de moeder af te geven zoals de rechtbank in haar beschikking van 20 maart 2013 had bepaald.
enig initiatief van de kant van de moeder” lijkt terug te grijpen op de opvatting dat het onttrekken als bedoeld in art. 279 Sr Pro pas kan plaatsvinden indien degene die het gezag of opzicht uitoefent, de minderjarige op enig moment voorafgaande aan de ‘onttrekking’ in zijn macht of feitelijke heerschappij had. Indien de macht of feitelijke heerschappij nog niet was uitgeoefend, dan was het niet mogelijk de minderjarige daaraan te onttrekken. Deze opvatting lag ten grondslag aan vaste rechtspraak van de Hoge Raad zoals die tot uitdrukking is gekomen in HR 16 april 1928 waarin werd overwogen “
dat toch van een onttrekken van een minderjarige aan eenig wettig gezag slechts sprake kan zijn, wanneer dat gezag den minderjarige in zijn macht of feitelijke heerschappij had, en die macht of heerschappij door eenige handeling wordt verbroken”. [12] Deze opvatting is echter verlaten met de uitspraak HR 22 december 1953 waarin werd overwogen dat “
gezag” in art. 279 Sr Pro “
een toestand aanduidt die rechtens bestaat en “gesteld
” geenszins uitdrukt dat ook reeds feitelijke heerschappij uitgeoefend zou moeten zijn”. [13]
tweede middelbehelst twee klachten. Ten eerste de klacht dat het hof ten onrechte ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het verweer dat het vereiste opzet ontbreekt dan wel een schulduitsluitingsgrond aanwezig is. Ten tweede behelst het middel de klacht dat niet valt in te zien hoe de onder 6 voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte, redengevend kan zijn.
Ik had geen contact met aangeefster kunnen krijgen; ik wist niet waar zij naartoe was gegaan en hoe ik onze dochter aan haar terug moest geven.”
Tijdens ons (het hof begrijpt van de verdachte en [betrokkene 1]) verblijf in [plaats], in mei 2013 (het hof begrijpt 20 maart 2013) heeft de moeder het tijdelijke gezag gekregen van de rechtbank over [betrokkene 1]. Dat tijdelijke gezag, een beschikking over [betrokkene 1], heb ik via een brief van de rechtbank in Amsterdam in mijn brievenbus in [plaats] gevonden. Dit was 1,5 maand na de datum welke in de brief vermeld stond. In de beschikking stond dat bij de rechtbank in Amsterdam een zitting heeft plaatsgevonden. In ieder geval dat onze dochter [betrokkene 1] tijdelijk aan de moeder was toegewezen. Tot die beschikking hadden [de benadeelde partij] en ik het gezag over [betrokkene 1]. Na die uitspraak van die beschikking, door de rechtbank, [de benadeelde partij]. Dan is het logisch, dan ligt het gezag bij [de benadeelde partij]. Vanuit Mostar heb ik gereageerd op de beschikking van de rechtbank in Nederland. Ik zat in een positie waarin ik niets kon doen.