Conclusie
[eiser],
[verweerder],
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 3.4-3.5, waarin het hof de door [eiser] gestelde afspraak tussen partijen niet heeft aangenomen.
Nr. 1bevat geen klacht.
nr. 2faalt. De klacht in
nr. 3mist feitelijke grondslag omdat het hof niet heeft geoordeeld dat een persoonlijke ontmoeting een voorwaarde was om een afspraak te kunnen maken.
nr. 2en de klachten in de
nrs. 3 t/m 7(m.b.t. de ‘power of attorney’) voldoen niet aan de daaraan stellen eisen nu niet is aangegeven (onder verwijzing naar de stukken van het geding in feitelijke instanties) welke stellingen zouden zijn ingenomen rondom de in de klachten bedoelde feitelijke gebeurtenissen, die in cassatie overigens niet nader kunnen worden onderzocht.
nr. 8mist feitelijke grondslag omdat het hof niet heeft geoordeeld dat [verweerder] handelingsonbekwaam was. Het oordeel van het hof is voorts niet onbegrijpelijk in het licht van het betoog in de
nrs. 8-11m.b.t. de omstandigheden dat er 7 maanden na het einde van de huur een betaling van juist een bedrag van € 24.918,55 was, welke omstandigheden het hof heeft verdisconteerd.
noot 3en
nr. 12naar stellingen van [eiser] over de afspraak in MvG nr. 12 en CvA nr. 4.1. De geloofwaardigheid en consistentie van (ook) die stellingen heeft het hof in rov. 3.4 beoordeeld. Dat oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk. De
nrs. 13 en 14bevatten geen zelfstandige klachten.
nr. 15faalt daarom.
Onderdeel 2klaagt over de rov. 3.6-3.13. De klacht in de
nrs. 16-18miskent dat het hof feiten en omstandigheden mag ontlenen aan (delen van) stukken uit andere procedures die in de onderhavige procedure zijn overgelegd en waarop een beroep is gedaan (het middel klaagt niet dat op die stukken geen beroep is gedaan). Voorts miskent
nr. 18dat het oordeel van het hof niet berust op een vaststelling of [betrokkene] in de winkel heeft gestaan.
nrs. 19 en 21bevatten geen zelfstandige klachten, de
nrs. 22-24bevatten voortbouwende klachten die het lot van de voorgaande klachten delen.
Onderdeel 3 (nrs. 25-27)bevat een voortbouwende klacht over het passeren van het bewijsaanbod, welke faalt in het verlengde van de onderdelen 1 en 2. Het middel verwijst daarbij naar de CvA onder 5 en 6. Daarin bestrijdt [eiser] het door [verweerder] bijgebrachte bewijs, hetgeen wordt gevolgd door een algemeen bewijsaanbod (“zijn gedaagde en zijn broer [betrokkene] bereid om te getuigen”). Dat bewijsaanbod kon het hof in het licht van het voorgaande verwerpen op de in rov. 3.15 aangegeven gronden.