ECLI:NL:PHR:2015:2315

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 oktober 2015
Publicatiedatum
26 november 2015
Zaaknummer
15/03112
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep inzake onverschuldigde betaling en afspraakgeschil

In deze civiele zaak stond de vraag centraal of een betaling van €24.918,55 onverschuldigd was dan wel voortvloeide uit een geldige afspraak tussen partijen. De rechtbank had geoordeeld dat eiser deze som aan verweerder moest terugbetalen. Het gerechtshof Amsterdam bekrachtigde dit vonnis en verwierp het verweer van eiser dat er een afspraak was.

Eiser stelde in cassatie diverse klachten in tegen het oordeel van het hof, waaronder dat het hof onterecht had geoordeeld dat geen afspraak bestond en dat het bewijsaanbod was gepasseerd. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten feitelijk onvoldoende onderbouwd waren en dat het hof zijn oordeel niet onbegrijpelijk had gemotiveerd.

De Hoge Raad benadrukte dat het hof terecht had vastgesteld dat de erkentenis van de advocaat van eiser en de consistentie van de stukken een afspraak ontbraken. Ook was het hof niet gehouden bewijs te leveren gezien het ontbreken van voldoende stellingen van eiser. Het cassatieberoep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a RO.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.

Conclusie

Rolnr. 15/03112
Mr M.H. Wissink
Zitting: 16 oktober 2015
conclusie inzake art. 80a RO
in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats]
(hierna: “[eiser]”)
tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats]
(hierna: “[verweerder]”)
1. Het tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 17 maart 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:946. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:6992, die [eiser] had veroordeeld om aan [verweerder], als door deze onverschuldigd betaald, een bedrag van € 24.918,55 terug te betalen, vermeerderd met rente en kosten.
2. De klachten van het cassatiemiddel rechtvaardigen naar mijn mening geen behandeling in cassatie omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
3.
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 3.4-3.5, waarin het hof de door [eiser] gestelde afspraak tussen partijen niet heeft aangenomen.
Nr. 1bevat geen klacht.
Dat de in rov. 3.4 weergegeven uitlatingen een erkentenis opleveren, is niet onbegrijpelijk en leent zich niet voor herbeoordeling in cassatie zodat de klacht in
nr. 2faalt. De klacht in
nr. 3mist feitelijke grondslag omdat het hof niet heeft geoordeeld dat een persoonlijke ontmoeting een voorwaarde was om een afspraak te kunnen maken.
De (overige) klachten in
nr. 2en de klachten in de
nrs. 3 t/m 7(m.b.t. de ‘power of attorney’) voldoen niet aan de daaraan stellen eisen nu niet is aangegeven (onder verwijzing naar de stukken van het geding in feitelijke instanties) welke stellingen zouden zijn ingenomen rondom de in de klachten bedoelde feitelijke gebeurtenissen, die in cassatie overigens niet nader kunnen worden onderzocht.
De klacht in
nr. 8mist feitelijke grondslag omdat het hof niet heeft geoordeeld dat [verweerder] handelingsonbekwaam was. Het oordeel van het hof is voorts niet onbegrijpelijk in het licht van het betoog in de
nrs. 8-11m.b.t. de omstandigheden dat er 7 maanden na het einde van de huur een betaling van juist een bedrag van € 24.918,55 was, welke omstandigheden het hof heeft verdisconteerd.
Het onderdeel verwijst in
noot 3en
nr. 12naar stellingen van [eiser] over de afspraak in MvG nr. 12 en CvA nr. 4.1. De geloofwaardigheid en consistentie van (ook) die stellingen heeft het hof in rov. 3.4 beoordeeld. Dat oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk. De
nrs. 13 en 14bevatten geen zelfstandige klachten.
Het hof heeft de stelling van [eiser] dat er een afspraak was verworpen op grond van onder meer (i) de erkentenis van de zijde van de advocaat van [eiser] ter comparitie in eerste aanleg dat er geen afspraak was en (ii) de constatering dat het proces-verbaal van die comparitie juist is, welke constatering het hof ook baseert op de opmerking van de nieuwe advocaat van [eiser] in hoger beroep, dat zijn voorganger een standpunt van [eiser] heeft geconstrueerd zonder afstemming met [eiser]. Bij gebrek aan voldoende stellingen ter zake, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Het oordeel wordt niet onbegrijpelijk in het licht van de drie (gelijkluidende, niet nader geconcretiseerde) verklaringen die [eiser] in hoger beroep heeft overgelegd. De klacht in
nr. 15faalt daarom.
4.
Onderdeel 2klaagt over de rov. 3.6-3.13. De klacht in de
nrs. 16-18miskent dat het hof feiten en omstandigheden mag ontlenen aan (delen van) stukken uit andere procedures die in de onderhavige procedure zijn overgelegd en waarop een beroep is gedaan (het middel klaagt niet dat op die stukken geen beroep is gedaan). Voorts miskent
nr. 18dat het oordeel van het hof niet berust op een vaststelling of [betrokkene] in de winkel heeft gestaan.
Nr. 20klaagt vergeefs over een feitelijk en niet onbegrijpelijk oordeel in rov. 3.8, dat de in de rov. 3.7 en 3.8 bedoelde verklaringen inconsistent zijn ten aanzien van de vraag of [betrokkene] de nieuwe huurder wilde worden. De
nrs. 19 en 21bevatten geen zelfstandige klachten, de
nrs. 22-24bevatten voortbouwende klachten die het lot van de voorgaande klachten delen.
5.
Onderdeel 3 (nrs. 25-27)bevat een voortbouwende klacht over het passeren van het bewijsaanbod, welke faalt in het verlengde van de onderdelen 1 en 2. Het middel verwijst daarbij naar de CvA onder 5 en 6. Daarin bestrijdt [eiser] het door [verweerder] bijgebrachte bewijs, hetgeen wordt gevolgd door een algemeen bewijsaanbod (“zijn gedaagde en zijn broer [betrokkene] bereid om te getuigen”). Dat bewijsaanbod kon het hof in het licht van het voorgaande verwerpen op de in rov. 3.15 aangegeven gronden.
6. Het cassatieberoep kan naar mijn mening met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G