Conclusie
Onderdeel 1faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan het onderdeel betoogt, heeft het hof de gronden voor ontzegging van het omgangsrecht (art. 1:377a lid 3 BW) niet opgerekt. Het hof heeft vooropgesteld dat het in het belang van de minderjarige is om contact met de man te hebben. Het hof heeft de man geenszins het recht op omgang ontzegd, maar heeft geoordeeld dat er ‘op dit moment’ geen mogelijkheden zijn om een begeleide omgang tussen de man en de minderjarige te bewerkstelligen. De omgangsregeling kan niet worden geëffectueerd, gelet op de door het hof genoemde omstandigheden, te weten (i) de vrouw is met haar gezin naar België verhuisd, (ii) de gecertificeerde instelling heeft geen mogelijkheden om begeleide omgang tussen de man en de minderjarige te bewerkstelligen, (iii) inschakeling van een derde partij is onmogelijk, gelet op de verklaring van de man dat hij de kosten daarvan niet kan dragen en het hof geen reden ziet de kosten door de vrouw of door de gecertificeerde instelling te laten voldoen.
Onderdeel 2faalt eveneens, omdat het oordeel van het hof inzake de kosten van omgangsbegeleiding niet onbegrijpelijk is, gelet op de mededeling van de man dat hij deze kosten niet kan dragen. Ten overvloede merk ik op dat de ouders over de kosten van omgangsbegeleiding in veel gevallen afspraken maken. [1]