Conclusie
1.Feiten
€1.100,- per maand aan kale huur. Hij ontvangt geen woonkostentoeslag van de gemeente meer.
2.Procesverloop
3.Bespreking van de cassatiemiddelen
onder 10dat het hof de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep heeft miskend en art. 24 Rv Pro heeft geschonden door niet (althans niet kenbaar) te beslissen op de naar voren gebrachte grieven onder II tot en met IV en de in de toelichting op grief II naar voren gebrachte subgrieven. Volgens het middel is het hof althans ongemotiveerd voorbijgegaan aan essentiële stellingen van de man, nu de door hem aangevoerde grieven op grond van de wet en/of jurisprudentie relevant zijn, onderwerp waren van het partijdebat in hoger beroep en in beginsel dienden te worden betrokken bij de beoordeling van zijn verzoek tot wijziging op de gronden zoals door hem bij zijn inleidend verzoekschrift zijn aangevoerd. De beschikking voldoet volgens het middel om die reden niet aan de te stellen motiveringseisen en kan daarom niet in stand blijven.
onder 11-15gesteld dat de feitenrechter op grond van art. 21 Rv Pro weliswaar aan het niet aanvoeren van alle voor de beslissing van belang zijnde feiten de gevolgtrekkingen kan verbinden die hij geraden acht en dat de feitenrechter bij het vaststellen van de draagkracht van de alimentatieplichtige een grote mate van vrijheid heeft, maar dat zulks in de onderhavige zaak niet meebrengt dat het hof aan het (feitelijke) oordeel dat de man onvoldoende inzage in zijn financiële situatie heeft gegeven de conclusie mocht verbinden dat dit een bekrachtiging van de bestreden beschikking rechtvaardigt. In de toelichting wordt erop gewezen dat de man bij zijn inleidend verzoekschrift, naast de gestelde wijziging in zijn draagkracht, twee andere wijzigingen aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd, namelijk dat zijn draagkracht mede over [kind 4] en [kind 5] dient te worden verdeeld en dat bij de bepaling van zijn aandeel in de kosten van [kind 1] en [kind 2] mede rekening met de draagkracht van de moeder en de stiefvader dient te worden gehouden. Deze wijzigingen zijn, nog steeds volgens de toelichting, door de vrouw niet weersproken en zijn reeds op zichzelf, zelfs als zich geen wijziging in zijn draagkracht zou hebben voltrokken, grond voor wijziging van de bijdrage aan [kind 1] en [kind 2] . Het enkele feit dat de man zijn stelling dat hij geen draagkracht heeft en deze evenmin op korte termijn kan realiseren, naar het oordeel van het hof onvoldoende heeft onderbouwd, brengt gelet op het vorenstaande dan ook niet - althans niet zonder meer, dat wil zeggen: zonder enige motivering - met zich dat het hof de overige grieven van de man ongemotiveerd onbehandeld mocht laten. Dit is, aldus de toelichting op middel I
onder 16, temeer zo nu tussen partijen in confesso is dat er inderdaad sprake is van een verminderde draagkracht zodat de conclusie in ieder geval niet kan zijn dat de man een hogere draagkracht heeft dan ten tijde van de vaststelling van de bedragen waarvan wijziging is verzocht. Voor zover dit (impliciet) in het oordeel van het hof ligt besloten, is dit oordeel - zonder nadere toelichting - onbegrijpelijk want innerlijk tegenstrijdig met het oordeel van het hof over de periode van 1 januari 2012 tot en met 19 april 2013, over welke periode de rechtbank de draagkracht van de man heeft vastgesteld op € 525,-, welk oordeel door het hof is bekrachtigd.
“(d)e grieven II tot en met V van de man (…) er in de kern op neer(komen) dat hij geen draagkracht heeft voor het betalen van de door de rechtbank vastgestelde bijdrage”en heeft die aldus opgevatte grieven in de rov. 4.5-4.6 besproken. Dit heeft geleid tot het oordeel in rov. 4.7 dat de man (in ieder geval) in de periode vanaf 2013 in staat moet worden geacht een zodanig inkomen te kunnen genereren dat hij in staat is een bijdrage van € 140,- per kind per maand te voldoen.
onder 15) betoogt dat de man bij zijn inleidende verzoekschrift naast de gestelde wijziging in zijn draagkracht twee andere wijzigingen aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd (te weten dat zijn draagkracht mede over [kind 4] en [kind 5] dient te worden verdeeld én dat bij de bepaling van zijn aandeel in de kosten van [kind 1] en [kind 2] mede rekening moet worden gehouden met de draagkracht van de moeder en de stiefvader) en dat deze beide (door de vrouw niet weersproken) wijzigingen reeds op zichzelf grond waren voor wijziging van de bijdrage aan [kind 1] en [kind 2] , stel ik voorop dat aan de bestreden beschikking
nietten grondslag ligt dat zich géén voor de toepassing van art. 1:401 BW Pro relevante wijziging van omstandigheden zou hebben voorgedaan. In de door het hof bekrachtigde beschikking had de rechtbank juist vastgesteld dat
“reeds op grond van het feit dat de man niet langer uitsluitend voor [kind 1] en [kind 2] onderhoudsplichtig is voldoende aanleiding (bestaat) om de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] ingevolge artikel 401, Boek 1, BW aan de hand van de huidige financiële gegevens van partijen te herbeoordelen”(rov. 5.1 van de beschikking van 21 mei 2014), terwijl tegen dit oordeel in hoger beroep geen grieven waren gericht. Ook het hof is derhalve uitgegaan van een wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de door de man verschuldigde kinderalimentatie rechtvaardigde. Voor zover het middel op een andere opvatting van de bestreden beschikking berust, mist het eveneens feitelijke grondslag.
onder 16voor mogelijk houdt, het hof (impliciet) ervan zou zijn uitgegaan dat de man een hogere draagkracht heeft dan ten tijde van de beschikking waarvan wijziging is verzocht (en dat deze hogere draagkracht de beide, hiervóór onder 3.4 bedoelde wijzigingen van omstandigheden zouden kunnen ondervangen).
onder 16wordt gesteld, de rechtbank de draagkracht van de man over de periode van 1 januari 2012 tot 19 april 2013
nietop € 525,- heeft vastgesteld [5] en dat het hof een dergelijke vaststelling (dus) ook niet heeft bekrachtigd. Daarbij komt dat het hof de beschikking waarvan beroep alleen heeft bekrachtigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en de procedure in appel niet zag op de periode van 1 januari 2012 tot 19 april 2013 [6] .
onder 17dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting van art. 1:392 lid 1 sub a BW Pro en art. 1:397 lid 2 BW Pro blijk heeft gegeven door op geen enkele wijze bij zijn oordeel te betrekken dat de man op grond van de wet (art. 1:392 lid 1 sub a BW Pro) mede onderhoudsplichtig is jegens [kind 4] en [kind 5] , en op de voet van art. 1:397 lid 2 BW Pro samen met [betrokkene 1] ieder naar rato van hun draagkracht in de kosten van verzorging en opvoeding van deze kinderen dient bij te dragen, welke rechtsfeiten niet zijn betwist. Volgens het middel kan de bestreden beschikking om die reden niet in stand blijven.
onder 18miskend dat het feit dat de draagkracht van de man over meer kinderen moet worden verdeeld op zichzelf reeds grond voor wijziging kan opleveren.
onder 19dat de bestreden beschikking niet aan de daaraan te stellen motiveringseisen voldoet. Het hof had, nog steeds volgens het middel, kenbaar moeten ingaan op de grieven van de man en uit de beschikking kan niet worden afgeleid dat het hof dat heeft gedaan en welke de gedachtegang van het hof op dit punt is geweest.
onder 19geen concrete verwijzingen naar grieven die in verband met de onderhoudsplicht van de man jegens [kind 4] en [kind 5] nadere bespreking zouden behoeven, maar ik neem aan dat de klacht in het bijzonder ziet op het gestelde in het beroepschrift onder 21:
“dat van de man, in het licht van zijn onderhoudsverplichting jegens [kind 1] en [kind 2] , verlangd kan worden dat hij zich op korte termijn op enigerlei wijze een zodanig inkomen verwerft dat hij een bijdrage ten behoeve van [kind 1] en [kind 2] van € 140,00 per kind per maand kan voldoen (…)”. De man heeft in zijn hierboven geciteerde beroepschrift dit oordeel aldus uitgelegd, dat voor de kinderen van de man (onder wie ook [kind 4] en [kind 5] ) volgens de rechtbank een
totaalbedrag van € 280,- beschikbaar zou zijn. Dat is naar mijn mening echter niet wat de rechtbank heeft bedoeld. Kennelijk heeft de rechtbank bedoeld dat van de man kan worden gevergd dat hij zich een zodanig inkomen verwerft, dat hij, uiteraard mede gelet op zijn andere verplichtingen, waaronder zijn onderhoudsverplichting jegens [kind 4] en [kind 5] , in staat is in de kosten van [kind 1] en [kind 2] met € 140,- per kind per maand bij te dragen. Dat laatste is kennelijk ook het oordeel dat het hof in rov. 4.7 heeft overgenomen; in die rechtsoverweging heeft het hof, kennelijk doelend op de onderhoudsplicht van de man jegens [kind 1] en [kind 2] , overwogen:
“(…) het hof gaat er vanuit dat hij (in ieder geval) in de periode vanaf 2013 in staat moet worden geacht een zodanig inkomen te kunnen genereren dat hij in staat is een bijdrage van € 140,- per kind per maand te voldoen.”Waar rechtbank en hof bij de vaststelling van de ten behoeve van [kind 1] en [kind 2] verschuldigde bijdrage kennelijk niet zijn uitgegaan van een bepaald, voor alle kinderen van de man beschikbaar totaalbedrag, was de in het beroepschrift gesignaleerde noodzaak om ook [kind 4] en [kind 5] in de verdeling van een dergelijk bedrag te betrekken niet aan de orde en behoefde het hof daarop ook niet nader in te gaan.
onder 20dat het hof, door geen (althans niet kenbaar) rekening te houden met de onderhoudsverplichting van de moeder én de onderhoudsverplichting van de stiefvader, van een onjuiste rechtsopvatting van art. 1:392 lid 1 sub a BW Pro (ten aanzien van de moeder), art. 1:395 BW Pro respectievelijk 1:395a lid 2 BW en art. 1:397 lid 2 BW Pro is uitgegaan en heeft miskend dat de onderhoudsplicht van de stiefvader in beginsel van gelijke rang is als de onderhoudsverplichting van de man respectievelijk de vrouw.
onder 21heeft het hof miskend dat het enkele feit dat de man wellicht in staat is om € 140,- per kind per maand te betalen nog niet automatisch met zich brengt dat hij daartoe - gelet op de aanwezigheid van twee andere onderhoudsplichtigen - rechtens ook kan worden gehouden, gelet op het bepaalde in art. 1:397 lid 2 BW Pro jo 1:392 lid 1 sub a, 1:395 en 1:395a lid 2 BW.
onder 22dat het hof - gelet op de door de man aan zijn verzoek ten grondslag gelegde wijzigingsgronden en de in appel naar voren gebrachte grieven - de draagkracht van de moeder respectievelijk stiefvader niet zonder nadere motivering buiten beschouwing had mogen laten.
onder 23.
onder 20faalt, omdat het hof zich zeer wel bewust is geweest van de samenloop van de onderhoudsverplichting van de man met die van de vrouw en haar huidige echtgenoot jegens [kind 1] en [kind 2] . In rov. 4.2 heeft het hof, in verband met de behoefte van [kind 1] en [kind 2] , als volgt overwogen:
met inachtneming van de onderhoudsverplichting van de vrouw en haar echtgenootalsmede een eventuele zorgkorting ten aanzien van [kind 2] - lager dan € 140,- per kind per maand zou zijn” (onderstreping toegevoegd; LK).
onder 21is tevergeefs voorgesteld. Anders dan het middel veronderstelt, was het hof zich blijkens de hiervoor geciteerde passage uit rov. 4.2 van de aanwezigheid van twee andere onderhoudsplichtigen bewust. Alhoewel het hof de hiervoor (onder 3.9) geciteerde passage op de behoefte van [kind 1] en [kind 2] heeft toegespitst, heeft het de door de rechtbank vastgestelde onderhoudsbijdrage van de man voor [kind 1] en [kind 2] van € 140,- per kind per maand kennelijk met de onderhoudsverplichting van de vrouw en die van haar echtgenoot verenigbaar geoordeeld, óók in die zin dat, mede gelet op de ook op de vrouw en haar echtgenoot jegens die kinderen rustende onderhoudsplichten, die bijdrage
nietuitgaat boven de rechtens van de man gevergde proportionele bijdrage in de (door de rechtbank per 1 januari 2013 op € 459,93 per kind gestelde [7] ) kosten van [kind 1] en [kind 2] . Het hof heeft dat oordeel weliswaar niet nader aan de hand van een concrete vergelijking van de draagkracht van elk van de drie onderhoudsgerechtigden verantwoord, maar daartoe bestond ook geen aanleiding, nu het hof de grieven II-V van de man (in cassatie onbestreden) aldus heeft opgevat dat deze in de kern de draagkracht van de man betroffen (rov. 4.4). Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof geoordeeld dat het zich, na de (overigens door middel VI bestreden) verwerping van grief I van de man (met betrekking tot de behoefte van [kind 1] en [kind 2] ), kon beperken tot de vraag of een bijdrage van € 140,- per kind per maand de draagkracht van de man al dan niet overtreft, en niet nader behoefde te treden in de vraag of een dergelijke bijdrage al dan niet overeenkwam met het aandeel in de kosten van [kind 1] en [kind 2] dat rechtens van de man kon worden gevergd, gelet op de draagkracht van elk van de drie onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin elk van hen tot de onderhoudsgerechtigden staat (art. 1:397 lid 2 BW Pro).
onder 22dat het hof - gelet op de door de man aan zijn verzoek ten grondslag gelegde wijzigingsgronden en de in appel naar voren gebrachte grieven - de draagkracht van de moeder respectievelijk stiefvader niet zonder nadere motivering buiten beschouwing had mogen laten, mist eveneens doel. Het hof, dat de beschikking van de rechtbank heeft bekrachtigd, heeft evenals de rechtbank een relevante wijziging van omstandigheden, die tot een herbeoordeling van de door de man verschuldigde onderhoudsbijdragen aanleiding gaf, aanwezig geoordeeld. Die herbeoordeling heeft de rechtbank vervolgens tot een wijziging van de laatste alimentatiebeschikking geleid, in die zin dat de door de man verschuldigde onderhoudsbijdragen zijn verlaagd, voor de periode met ingang van 19 april 2013 tot € 140,- per kind per maand. In hoger beroep heeft de man weliswaar met zijn grief I de behoefte van [kind 1] en [kind 2] ter discussie gesteld, maar niet met het argument dat ook de moeder en de stiefvader naar rato in die behoefte dienen te voorzien. De grieven II-V betreffen volgens de daaraan door het hof gegeven (en in cassatie onbestreden) uitleg in de kern de draagkracht van de man (en dus niet de verdeling van de behoefte van [kind 1] en [kind 2] over de drie onderhoudsplichtigen [8] ).
onder 23dat de bestreden beschikking, voor zover zij aldus dient te worden gelezen dat het hof van oordeel is dat het aandeel van de man in de behoefte van [kind 1] en [kind 2] (rekening houdend met de resterende behoefte na aftrek van eigen inkomsten) € 140,- per kind per maand bedraagt, niet voldoet aan de daaraan te stellen motiveringseisen, nu niet kenbaar is wat de gedachtegang van het hof op dit punt is geweest. Ook die klacht acht ik niet gegrond. Naar mijn mening heeft het hof in rov. 4.2 niet meer bedoeld dan dat de (geringe) eigen inkomsten van [kind 1] en [kind 2] hun behoefte niet dusdanig verminderen, dat het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 140,- als gevolg daarvan het deel van de behoefte van [kind 1] en [kind 2] waarin de man dient te voorzien, zou overtreffen. Alhoewel een exacte en cijfermatige onderbouwing van dit oordeel ontbreekt (daartegen richt zich middel VI), acht ik de gedachtegang van het hof (die heeft geleid tot een verwerping van grief I), ook zonder nadere motivering, op zichzelf niet onbegrijpelijk.
“grens”van de onderhoudsverplichting van de man heeft gesproken. Kennelijk heeft het hof daarmee bedoeld dat de door de behoefte van [kind 1] en [kind 2] bepaalde bovengrens van de onderhoudsbijdrage van de man € 140,- per kind per maand bedraagt, nu de rechtbank de onderhoudsbijdrage van de man op dat bedrag heeft vastgesteld en de grief van de man, die op een lagere dan de door de rechtbank in aanmerking genomen behoefte van [kind 1] en [kind 2] was gericht, faalt.
onder 24dat het hof geen (althans niet kenbaar) rekening heeft gehouden met de schulden van de man en de daarover verschuldigde rente en niet heeft beslist op de in dat kader aangevoerde grieven. Volgens het middel heeft het hof aldus oordelend miskend dat in beginsel alle schulden van invloed zijn op de draagkracht, ongeacht of daadwerkelijk op die schulden wordt afgelost.
Onder 25herinnert het middel eraan dat het hof in rov. 2.5 heeft vastgesteld dat de rekening-courantschuld van de man volgens de relevante belastingaangiften op 1 januari 2010 € 642.531,- bedroeg, op 31 december 2010 € 352.745,-, in 2012 € 460.404,- en dat die schuld volgens de man in 2013 € 486.712,- bedroeg. Voorts herinnert het middel
onder 26eraan dat de man in zijn beroepschrift onder 20 respectievelijk 26-29 heeft geklaagd over het feit dat de rechtbank met zijn schuld aan Nuon [9] respectievelijk zijn rekening-courantschuld geen rekening heeft gehouden.
Onder 27klaagt het middel dat, voor zover het oordeel van het hof aldus dient te worden begrepen dat de man zijn schulden onvoldoende heeft onderbouwd, dat oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de vaststelling van het hof in rov. 2.5, alsmede in het licht van het partijdebat en de door de man overgelegde stukken. Voor zover het bestreden oordeel aldus dient te worden begrepen dat de man onvoldoende zou hebben aangetoond dat hij rente over de rekening-courantschuld is verschuldigd, is dat oordeel volgens het middel onbegrijpelijk in het licht van het partijdebat en van de alimentatiebeschikking waarvan wijziging werd verzocht en die nog van een rente van 4,9% over de rekening-courantschuld uitging.
welkinkomen de man zich naar het oordeel van (de rechtbank en) het hof zal kunnen verwerven, zodat ook niet kan worden gecontroleerd of het door (de rechtbank en) het hof kennelijk beoogde inkomen uit loondienst daadwerkelijk voor de litigieuze bijdrage volstaat, als óók de door de man gestelde schulden (en zijn onderhoudsplicht jegens de kinderen uit zijn huidige relatie) in aanmerking worden genomen. Een en ander klemt temeer nu voor de hand ligt dat de rechtbank en het hof zich bij de vaststelling respectievelijk toetsing van de litigieuze bijdrage van € 140,- per kind per maand vermoedelijk niet zozeer door de hoogte van het potentiële inkomen van de man uit loondienst, als wel door de (in rov. 2.4 van de bestreden beschikking gereleveerde) afspraken tussen partijen hebben laten leiden. De rechtbank heeft de door de man verschuldigde bijdrage over de periode van 1 januari 2012 tot 19 april 2013 onder uitdrukkelijke verwijzing naar die afspraken (zie rov. 5.2 van de beschikking van de rechtbank) op € 175,- per kind per maand bepaald; het ligt voor de hand dat het voor de periode met ingang van 19 april 2013 bepaalde bedrag van € 140,- per kind per maand niet uitgaande van een bepaald potentieel inkomen en de daarop in mindering te brengen lasten is berekend, maar van het eerstgenoemde bedrag is afgeleid, in die zin dat daarop ten behoeve van de man een verdere korting (van exact 20%) is toegepast. Naar mijn mening kan niet zonder meer worden aangenomen dat de uitdrukkelijk als tijdelijk bedoelde afspraken van partijen, die waren bedoeld te voorzien in de financiële noodsituatie van de man, aan de wettelijke maatstaven voldeden, in die zin dat daarbij de schulden van de man (en zijn verdere lasten) naar behoren en ten volle in aanmerking zijn genomen. Weliswaar is op het door partijen als tijdelijk overeengekomen bedrag van € 175,- nog een verdere korting toegepast, maar het uiteindelijke bedrag van € 140,- is noch door de rechtbank, noch door het hof gemotiveerd, laat staan gerelateerd aan de door de man gestelde schulden (en zijn verdere lasten).
onder 28dat het hof niet kenbaar heeft beslist op de grief dat bij de becijfering van de door hem aan de moeder respectievelijk de kinderen te betalen bijdrage rekening dient te worden gehouden met een zorgkorting. De in alinea 20 van het beroepschrift opgenomen stelling ter zake betreft volgens het middel een essentiële stelling, die het hof, gelet op de richtlijn alimentatienormen die geldt voor gevallen met een ingangsdatum gelegen na 1 april 2013, niet zonder enige motivering buiten beschouwing had mogen laten. Het middel betoogt dat, in het bijzonder nu het hof in rov. 4.2 van
“een eventuele zorgkorting ten aanzien van [kind 2] ”heeft gesproken, uit de bestreden beschikking niet duidelijk wordt of het hof ook daadwerkelijk rekening heeft gehouden met een zorgkorting, zodat de beschikking niet aan de daaraan te stellen motiveringsvereisten voldoet.
onder 30voldoet dit oordeel niet aan de daaraan te stellen motiveringseisen en is het onbegrijpelijk. Het middel betoogt - aan de hand van een drietal rekenvoorbeelden, die als uitgangspunt nemen dat in hoger beroep vaststaat dat de draagkracht van de man in ieder geval niet meer bedraagt dan € 525,- per maand - dat de eigen inkomsten van de kinderen, zoals vastgesteld door het hof, wel degelijk van grote invloed zijn op het aandeel van de man in de kosten van de kinderen, zodat het oordeel van het hof - zonder nadere toelichting, die ontbreekt - onbegrijpelijk is, en innerlijk tegenstrijdig met het oordeel van de rechtbank dat de draagkracht van de man in de periode van 1 januari 2012 tot en met 19 april 2013 € 525,- heeft bedragen, welk oordeel door het hof door bekrachtiging van de bestreden beschikking is overgenomen.
“niet noemenswaardig”zou zijn. Zonder dat duidelijkheid bestaat over het inkomen dat de man zich naar het oordeel van het hof kan verwerven en over de daaruit af te leiden draagkracht van de man (alle lasten van de man, waaronder in het bijzonder zijn schulden, daarbij in aanmerking genomen), kan voorts onmogelijk worden vastgesteld dat, ook als rekening wordt gehouden met de onderhoudsplicht van de vrouw en haar echtgenoot, de bijdrage van de man in dat resterende bedrag niet minder dan € 140,- zou bedragen. Nu het hof zich niet heeft uitgelaten over de hoogte van het door de man te verwerven inkomen uit loondienst en over de daaruit af te leiden draagkracht (alle lasten van de man daarbij in aanmerking genomen), acht ik de bedoelde vaststelling onbegrijpelijk. Daarbij komt dat met de door de rechtbank vastgestelde en de door het hof bekrachtigde bijdrage de man om en nabij 1/3 van de door de rechtbank en het hof aangenomen behoefte van [kind 1] van € 460,- zou moeten dragen (waarbij voor de rechtbank - wat daarvan overigens zij - kennelijk leidend is geweest dat van drie onderhoudsplichtigen sprake was). Met een bijdrage van 1/3 x € 316,- wordt de vastgestelde bijdrage van € 140,- echter wel degelijk onderschreden.
“noemenswaardig”. Zonder concreet inzicht in het inkomen dat de man zich volgens het hof kan verwerven, in de daaruit voortvloeiende draagkracht van de man en in de verhouding tussen die draagkracht en de draagkracht van de vrouw en haar echtgenoot, kan onmogelijk worden vastgesteld dat de man in de resterende behoefte van [kind 2] van om en nabij € 200,- met ten minste € 140,- zou moeten bijdragen. Daarbij komt dat de te berekenen bijdrage van de man voorts “bestand” zou moeten zijn tegen de door het hof voor mogelijk gehouden toepassing van de (als percentage van de behoefte van het kind uitgedrukte) zorgkorting, in die zin dat ook na toepassing van die zorgkorting het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 140,- niet mag worden onderschreden.