Conclusie
onderdeel 2daartegen beoogt op te komen evident is dit niet - met de klacht dat het Hof in het licht van de parlementaire geschiedenis een onjuiste invulling heeft gegeven aan het criterium “goede trouw” [1] , faalt het omdat ’s Hofs vooropstelling in rov. 4 juist is. [2]
onderdeel 1doet [verzoeker] zijn beklag over het feit dat het Hof voornoemd uittreksel en de verklaring van [A] aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. Wat betreft het uittreksel klaagt hij allereerst dat het Hof heeft miskend dat het uittreksel niet in het procesdossier aanwezig is, waardoor het niet beoordeeld kan worden en buiten beschouwing moet worden gelaten.
ontstaanvan de schulden, noch het
onbetaald latenvan de schulden’ en dat niet is gebleken ‘dat [verzoeker] daadwerkelijk onder andere naam werkzaamheden heeft verricht en daarvoor, onder andere naam, inkomsten heeft genoten’, treft het onderdeel evenmin doel. [verzoeker] miskent dat
hijaannemelijk dient te maken dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. [3] Voorts ziet hij eraan voorbij dat de rechter bij de beoordeling van de vereiste goede trouw rekening kan houden met
alleomstandigheden, waaronder acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. Daarbij doet het niet zonder meer ter zake of dergelijke acties al dan niet succesvol zijn geweest.
hijaannemelijk dient te maken dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw is geweest. Het lag in het licht van de verklaring van [A] dan ook op zijn weg om daartegen voldoende aan te voeren. Dat heeft hij volgens het Hof niet gedaan. Anders dan [verzoeker] stelt, heeft het Hof ook gemotiveerd waarom [verzoeker] het Hof er onvoldoende van heeft kunnen overtuigen dat wat [A] heeft verklaard
in het geheelop onwaarheden zou berusten. Het Hof heeft aansluiting gezocht bij de motivering van de Rechtbank. Kort gezegd, de verklaring van [A] wordt ondersteund door het feit [verzoeker] is veroordeeld voor het bezit van een vals reisdocument, welk document is aangeschaft om ‘zich arm voor te doen’. Hetgeen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is verklaard, hoefde het Hof niet tot een ander oordeel te brengen.
onderdeel 3neemt [verzoeker] tot slot ten onrechte aan dat het Hof de schuld aan [A] in zijn beoordeling heeft betrokken. Dat is niet het geval. Het Hof heeft slechts acht geslagen op diens verklaring. [verzoeker] klaagt verder dat het Hof ten onrechte op geen enkele wijze is ingegaan op diens beroep op de hardheidsclausule als bedoeld in art. 288 lid Pro 3, althans dat ‘s Hofs oordeel onbegrijpelijk is nu redenen van afwijzing van dit beroep op geen enkele wijze volgen uit het arrest. [5] Het beroep op de hardheidsclausule is in feitelijke aanleg niet onderbouwd. [verzoeker] heeft volstaan met de niet nader uitgewerkte stelling dat hij zijn leven heeft gebeterd en probeert aan een betaalde baan te komen. Dat is voor toewijzing van dat beroep zonder meer onvoldoende. [6] Bovendien heeft het Hof die stelling blijkens de weergave van het standpunt van [verzoeker] in rov. 3 van het bestreden arrest in aanmerking genomen. [verzoeker] miskent voorts dat de verwerping van het beroep op de hardheidsclausule, hoewel niet uitdrukkelijk verwoord, in ’s Hofs oordeel besloten ligt. Uit de motivering van het oordeel dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van een belangrijk deel van de schulden, blijkt afdoende waarom het Hof tot deze verwerping is gekomen.