Conclusie
onderdeel A.0betoogt [eiser] dat het hof een aantal onderling samenhangende essentiële stellingen buiten beschouwing heeft gelaten. Dit onderdeel mist feitelijke grondslag omdat de daarin vermelde vier stellingen klaarblijkelijk door het hof in zijn beoordeling zijn betrokken. Dat het hof aan deze stellingen niet de betekenis heeft toegekend die [eiser] heeft verdedigd, is een andere kwestie. Het hele geschil gaat over de vraag of [eiser] als gevolg van het onrechtmatig handelen van de gemeente en de provincie schade heeft geleden. Daarbij is uiteraard uitgangspunt de stelling van [eiser] dat hij eerder met de bouw van twee kassen had kunnen beginnen als wel rechtmatig was besloten.
Onderdeel A.1bouwt voort op onderdeel A.0 en moet in het lot daarvan delen. Het onderdeel is bovendien gebaseerd op de onjuiste rechtsopvatting dat het hof reeds op grond van het limitatief-imperatieve stelsel van bouwvergunningverlening de vordering van [eiser] had moeten toewijzen. Zelfs als het hof de rechtsgronden had moeten aanvullen, leveren de stellingen van [eiser] onvoldoende basis op voor toewijzing van zijn vordering. Voormeld stelsel kan immers alleen aan de orde komen als sprake is van een aanvraag van een bouwvergunning. Ten slotte kan het stelsel ook niet wegnemen dat er toch goede redenen kunnen zijn een aanvraag af te wijzen. Ik wijs erop dat in de literatuur is betoogd dat het stelsel meer belooft dan het kan waar maken omdat burgemeester en wethouders grote beslissingsruimte hebben (zie J. Struiksma, BR 1992 p. 292 v. en P.J.J. van Buuren, Ch. W. Backes en A.A.J. de Gier, Hoofdlijnen ruimtelijk bestuursrecht, derde druk 1999, p. 199 v.) Het uitgangspunt dat in dit geding moet worden aangenomen dat een aanvraag onder het Bestemmingsplan 1998 kansloos zou zijn geweest, kan daarom niet worden aanvaard. Ook de motiveringsklacht van
onderdeel A.2die voortbouwt op de onderdelen A.0 en A.1 faalt derhalve omdat er geen sprake is van een aanvraag van een bouwvergunning.
Onderdeel A.3miskent dat het hof de causale keten doorbroken heeft geacht, zodat het aan een afweging van alle andere omstandigheden niet is toegekomen.
onderdelen A.4 en A.5missen feitelijke grondslag voor zover zij voortbouwen op onderdeel A.0. Ook aan deze klachten ligt het uitgangspunt ten grondslag dat als gevolg van de onrechtmatige besluitvorming een aanvraag door [eiser] van een bouwvergunning geweigerd had moeten worden, terwijl deze bij rechtmatige besluitvorming verleend had moeten worden. Dit uitgangspunt veronderstelt dat een beroep is gedaan op het voormelde imperatieve stelsel. Het veronderstelt ook dat is komen vast te staan dat [eiser] wel het voornemen had twee kassen te bouwen doch daarvan om die reden heeft afgezien en het veronderstelt dat de juistheid hiervan ook kan worden aangenomen zonder dat een aanvraag voor een bouwvergunning is ingediend. Op grond van het vervuld zijn van deze laatste veronderstelling heeft het hof het ontbreken van causaal verband aangenomen. Dit oordeel is niet onjuist en verre van onbegrijpelijk. Tussen partijen is in cassatie een debat gevoerd over de betekenis van art. 4:6 Awb Pro. Ik zie geen noodzaak daarover meer te zeggen dan dat het beginsel dat ten grondslag ligt aan art. 4:6 Awb Pro hier vanzelfsprekend wel aan de orde is.
Onderdeel A.6gaat uit van de veronderstelling dat het hof eigen schuld van [eiser] heeft aangenomen. Ik zie daarvoor geen feitelijk aanknopingspunt, zodat het onderdeel niet tot cassatie kan leiden.
onderdeel A.7geen zelfstandige betekenis. Het bevat een herhaling van eerdere klachten of bouwt daarop voort.
onderdeel B.