Conclusie
middelricht zich tegen de gegeven vrijspraak en tegen de uitleg die het Hof heeft gegeven over het begrip “bodem” in de zin van art. 1 Wet Pro bodembescherming.
Vrijspraak
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd beschuldigd van het overtreden van artikel 13 van Pro de Wet bodembescherming door het opslaan van paardenmest op en in een container op klinkerbestrating, zonder voldoende maatregelen te nemen om bodemverontreiniging te voorkomen.
Het Hof sprak verdachte vrij omdat niet vaststond dat de puinlaag onder de bestrating onderdeel uitmaakte van de bodem in de zin van de Wet bodembescherming. Er ontbraken gegevens over samenstelling en dikte van deze puinlaag, waardoor niet met redelijke twijfel kon worden vastgesteld dat de bodem was verontreinigd of aangetast.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven over het begrip 'bodem'. Ook was het oordeel begrijpelijk gelet op de bewijsnood door ontbrekende gegevens. Het beroep van het Openbaar Ministerie werd verworpen en de vrijspraak gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak wegens onvoldoende bewijs dat de bodem was verontreinigd door opslag van mest op bestrating met puinlaag.