Conclusie
2.Bespreking van de incidentele vordering in cassatie
3.Conclusie
.
Parket bij de Hoge Raad
Deze zaak betreft een incident tot zekerheidstelling in een cassatieprocedure over de afwikkeling van een samenlevingsovereenkomst tussen partijen. De man vordert zekerheidstelling door de vrouw voor het nog in cassatie te behandelen deel van een aan haar toegewezen vordering, omdat het hof het vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard.
De rechtbank had de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man en de verdeling van de gemeenschap van goederen vastgesteld. Het hof vernietigde dit vonnis deels en stelde de verdeling opnieuw vast, waarbij een restantvordering van de vrouw op de man bleef bestaan. De man stelde in hoger beroep een incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring, welke door het hof werd afgewezen na belangenafweging.
In cassatie stelt de man een incidentele vordering tot zekerheidstelling in, met als argument het risico van restitutie en gedwongen verkoop van zijn woning. De Hoge Raad overweegt dat dezelfde maatstaf geldt als bij de eerdere schorsingsvordering: het belang van de verzoeker moet zwaarder wegen dan dat van de wederpartij om het vonnis direct uit te voeren, zonder dat de kans van slagen van het cassatieberoep meeweegt.
De man heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die een juridische of feitelijke misslag in het arrest aantonen of nieuwe feiten die zekerheidstelling rechtvaardigen. Het abstracte restitutierisico en de dreiging van gedwongen verkoop zijn onvoldoende. Daarom wordt de incidentele vordering afgewezen en kan het vonnis zonder zekerheidstelling worden uitgevoerd.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot zekerheidstelling af, waardoor het vonnis zonder zekerheidstelling uitvoerbaar blijft.