Conclusie
Overweging met betrekking tot het bewijs
eerste middelkeert zich meer in het bijzonder tegen het oordeel van het Hof dat het Openbaar Ministerie de mogelijkheid dat het geld niet afkomstig is van enig misdrijf voldoende heeft weerlegd.
tweede middelklaagt over de zinsnede die door het Hof in de beoordeling van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt staat opgenomen, te weten dat de advocaat-generaal ter terechtzitting heeft opgemerkt dat de verklaringen van de getuigen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] op een essentieel punt afwijken van de verklaring van verzoeker, nu uit het proces-verbaal van de terechtzitting niets blijkt van een dergelijke opmerking of discrepantie.
derde middelklaagt over de overweging van het Hof dat de leningsovereenkomst pas in een zeer laat stadium in het proces door verzoeker is overgelegd.
vierde middelklaagt over ’s Hofs kwalificatie van het onder 1 bewezenverklaarde als gewoontewitwassen.
enkelde klacht behelst dat uit de overwegingen van het Hof – ik citeer – “niet kan worden afgeleid dat ten aanzien van de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen sprake is van meer dan witwassen als bedoeld in art. 420bis Sr”. Niet dus bestrijdt het vierde middel het oordeel van het Hof dát sprake is van witwassen, zodat ik dat oordeel hier onbesproken laat. [3]