Art. 261 lid 3 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 14b Sr (oud)Art. 14c Sr (oud)Art. 7 Grondwet
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt veroordeling wegens belaging en smaad zonder beroep op art. 261 lid 3 Sr
Het Gerechtshof Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor belaging en smaad tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand met een proeftijd van drie jaar, terwijl hij vrijgesproken werd van een tweede tenlastelegging. Verdachte stelde beroep in cassatie in en voerde onder meer aan dat het Hof onjuist had geoordeeld over het beroep op art. 261 lid 3 SrPro, dat bescherming biedt bij uitingen die te goeder trouw zijn gedaan.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat het niet aannemelijk was dat sprake was van censuur in de zin van een ongeoorloofde beperking van het openbaren van gedachten, en dat het niet onbegrijpelijk was dat het Hof het horen van getuigen niet noodzakelijk achtte. Ook verwierp de Hoge Raad het verweer dat verdachte te goeder trouw had kunnen aannemen dat de beschuldigingen van antisemitisme gegrond waren, mede omdat verdachte zelf had toegegeven dat de uitlatingen te ver gingen.
De Hoge Raad wees bovendien op een technische fout van het Hof bij het bepalen van de proeftijd, die volgens de toen geldende wet maximaal twee jaar mocht zijn, maar stelde dat dit geen reden was om het arrest te vernietigen. De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het cassatiemiddel faalt en het beroep verworpen moet worden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor belaging en smaad blijft in stand.
Conclusie
Nr. 13/02377
Mr. Harteveld
Zitting 20 januari 2015
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 26 februari 2013 verdachte ter zake van “belaging” en “smaadschrift” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 3 jaren. Van het onder 2 tenlastegelegde is verdachte vrijgesproken.
2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. A. Sennef, advocaat te Den Haag, heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middelklaagt dat het Hof de verwerping van het beroep van verdachte op art. 261, derde lid, Sr onjuist, onvoldoende of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Het middel valt blijkens de daarop gegeven toelichting uiteen in drie deelklachten.
4.1. De eerste deelklacht ziet op het oordeel van het Hof ten aanzien van de bewezenverklaarde telastlegging door verdachte van censuur. De steller van het middel betoogt dat ‘s Hofs oordeel dat verdachte niet te goeder trouw kon aannemen dat sprake was van censuur onjuist, althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is.
4.2. Te dien aanzien heeft het Hof onder meer overwogen:
“het enkele niet accepteren van de beoogde scriptie en het slothoofdstuk – zelfs indien dat zou berusten op een vanuit wetenschappelijk oogpunt onjuiste dan wel betwistbare beoordeling door de vakgroep Duits – rechtvaardigt naar 's hofs oordeel niet, ook niet in samenhang met de andere aspecten van deze zaak, de conclusie dat sprake is van censuur. Het stond verdachte vanzelfsprekend vrij om haar eigen visie over het toneelstuk Passage overal uit te dragen (zij het zonder het "stempel" van goedkeuring door de Universiteit).”
4.3. Met de term censuur in engere zin wordt gedoeld op een situatie waarin de overheid vooraf toezicht uitoefent op de inhoud van te openbaren uitingen. [1] In de onderhavige context wordt de term naar mijn mening echter in een minder enge betekenis gebezigd, waarmee wordt gedoeld op een ruimere categorie gevallen waarin personen ongeoorloofd worden beperkt in het openbaren van hun gedachten of gevoelens.
Naar mijn oordeel kan het al dan niet goedkeuren van een in het kader van een universitaire opleiding geschreven scriptie bezwaarlijk als een beperking ten aanzien van het openbaren van de gedachten of gevoelens van de schrijver worden aangemerkt. Een dergelijke scriptie heeft immers niet (primair) tot doel om te worden gepubliceerd of verspreid. Of de in een scriptie vervatte gedachten en gevoelens op zodanige wijze kunnen worden geuit dat deze voor anderen kenbaar zijn, is niet afhankelijk van de acceptatie van die scriptie in het kader van de opleiding. Ook aan een weigering van de universiteit om een openbaar debat te organiseren over de kwestie die verdachte aan de orde wenste te stellen, kan geenszins het karakter worden toegekend van een ongeoorloofde beperking van haar mogelijkheden om haar gedachten of gevoelens omtrent deze kwestie te openbaren.
Het oordeel van het Hof hieromtrent geeft mijns inziens dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering van dat oordeel was het Hof niet gehouden. In zoverre faalt het middel.
5.1. De tweede deelklacht houdt in dat de afwijzing door het Hof van verzoeken tot het horen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen onjuist, dan wel onvoldoende en/of onbegrijpelijk gemotiveerd is.
5.2. Vooropgesteld wordt dat in cassatie niet kan worden geklaagd over de juistheid van de afwijzing door het Hof van verzoeken tot het oproepen van getuigen. De Hoge Raad kan immers niet beoordelen of het Hof een getuige terecht niet heeft opgeroepen. Wel kan in cassatie worden geklaagd over de maatstaf die het Hof heeft toegepast en over de begrijpelijkheid van de beslissing in het licht van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en de gronden waarop het is afgewezen. Die begrijpelijkheid kan in cassatie in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval slechts in beperkte mate worden getoetst.
De maatstaf bij de beoordeling van de verzoeken tot getuigenverhoor, die in hoger beroep ter terechtzitting zijn gedaan, is of het Hof het horen van de getuigen noodzakelijk oordeelt. Het Hof heeft bij de afwijzing van het verzoek dan ook de juiste maatstaf gehanteerd, hetgeen door de steller van het middel ook niet wordt bestreden.
In cassatie resteert de vraag of het oordeel van het Hof dat het horen van de door de raadsman genoemde getuigen niet noodzakelijk is, niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd. [2]
5.3. De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep de voorwaardelijke verzoeken tot het horen van deze personen als getuigen – gedaan in het kader van een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie – als volgt geformuleerd:
“De verdediging meent dan ook dat de twee genoemde getuigen, mocht u concluderen dat niet-ontvankelijkheid niet aan de orde is, alsnog gehoord moeten worden over de genoemde feiten. Indien blijkt dat zij zich inderdaad niets meer herinneren zou dat een nadere onderbouwing van het niet-ontvankelijkheidsverweer opleveren.”
Voorts heeft de raadsman een voorwaardelijke verzoek gedaan tot het horen van [betrokkene 2] als getuige. Dit verzoek heeft de raadsman onderbouwd door te stellen dat [betrokkene 2] zou kunnen getuigen over een tegenover haar door [betrokkene 4] gedane uitlating, waaruit impliciet zou blijken dat hij – anders dan hij zelf ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard – van mening was dat [betrokkene 5] een hetze tegen verdachte voerde.
5.4. Het bestreden arrest houdt als relevante overwegingen van het Hof in:
“Het (deels) laat horen van de getuigen als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn is naar het oordeel van het hof geen reden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
[…]
De beschuldiging van intimidatie berust kennelijk daarop dat de toenmalige medestudente [betrokkene 3] op voorstel van een of meer stafleden van de vakgroep Duits naar de verdachte is gegaan om met haar te spreken over haar acties en haar te bewegen daarmee op te houden. Dienaangaande heeft [betrokkene 5] onweersproken gesteld dat zij van deze actie pas op de hoogte is geraakt, nadat deze had plaatsgevonden en hierin vooraf op geen enkele wijze gekend is. Het door de verdachte met name aan het adres van [betrokkene 5] gemaakte verwijt is reeds daarom onterecht en misplaatst en levert geen rechtvaardigingsgrond op. De gestelde omstandigheid dat [betrokkene 5] als hoogleraar hiervoor formeel verantwoordelijk zou zijn, maakt dit niet anders. Het hof voegt hier overigens aan toe dat naar zijn oordeel ook hetgeen door en namens de verdachte feitelijk is aangevoerd omtrent dit bezoek, de kwalificatie intimidatie dan wel poging tot intimidatie niet rechtvaardigt.
De beschuldiging van smaad en laster berust kennelijk daarop dat [betrokkene 5] ten overstaan van medewerkers en studenten over verdachte zou hebben gesproken met termen als “heks, schizofreen, e.d.” en (aldus) een hetze zou hebben gevoerd tegen de verdachte. Het dossier bevat geen verklaring uit de eerste hand dat [betrokkene 5] zich in dergelijke termen over de verdachte zou hebben uitgelaten , maar louter enige, naar het oordeel van het hof, weinig overtuigende verklaringen van horen zeggen. [betrokkene 5] heeft een en ander stellig ontkend. Het hof acht de beschuldiging van de verdachte op dit punt niet aannemelijk geworden. Het levert geen rechtvaardigingsgrond op. Het hof overweegt voorts dat een mogelijke negatieve uiting over een persoon, als door de verdediging bedoeld, niet noodzakelijkerwijs smaad of laster oplevert.
In dit verband heeft de verdediging ter terechtzitting op 12 februari 2013 voorts de voorwaardelijke verzoeken gedaan om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuige te horen. Ten aanzien van deze getuigen geldt het zogenaamde noodzakelijkheidscriterium. Gelet op de summiere onderbouwing van deze verzoeken en hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen acht het hof het niet noodzakelijk om deze getuigen te horen.”
5.5. In aanmerking genomen hetgeen de verdediging ter motivering aan de verzoeken ten grondslag heeft gelegd, is de afwijzing van deze verzoeken door het Hof, gelet op het hiervoor overwogene, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, zodat het middel in zoverre eveneens faalt.
6.1. De derde deelklacht ziet op het oordeel van het Hof ten aanzien van de bewezenverklaarde telastlegging door verdachte van antisemitisme. De steller van het middel betoogt dat ‘s Hofs oordeel dat verdachte hierbij niet te goeder trouw was en haar bovendien vanwege haar woordkeus geen beroep op art. 261, derde lid, toekwam onjuist, althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is.
6.2. Het bestreden arrest houdt als relevante overwegingen van het Hof in:
“Ten aanzien van de beschuldiging van antisemitisme voert de verdediging aan dat deze beschuldiging gezien de meegestuurde inleiding zeer genuanceerd is . Het hof volgt de raadsman hierin niet. De beschuldiging van antisemitisme is dermate stellig dat de door de raadsman gestelde nuancering daar niets aan kan afdoen. De – te meer in de context van de Cleveringa-lezing buitengewoon pijnlijke – beschuldiging van antisemitisme wordt daarom niet wezenlijk gerelativeerd of genuanceerd door een bijgevoegde inleiding. Het hof verwerpt het gevoerde verweer.
De raadsman heeft [...] een beroep gedaan op de toepasselijkheid van het derde lid van artikel 261, derde lid, Wetboek van Strafrecht met name daarop dat de verdachte te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het door haar telastgelegde waar was en het algemeen belang de telastlegging eiste. Zoals hiervoor al weergegeven is het hof van oordeel dat de beschuldigingen aan het adres van [betrokkene 5] ofwel ongegrond zijn ofwel dat onbekend is of zij gegrond zijn. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte niet te goeder trouw kunnen menen dat [betrokkene 5] zich schuldig zou hebben gemaakt aan antisemitisme […] en al helemaal niet dat het algemeen belang de door verdachte gepleegde telastlegging eiste. […] De verdachte heeft voorts ter terechtzitting van 5 oktober 2011 toegeven dat de zinsnede "schuldig aan antisemitisme" te ver gaat en niet klopt (p. 21 van voornoemd proces-verbaal).”
6.3. De klacht behelst allereerst dat het Hof ten onrechte de bijlage bij de in de bewezenverklaring genoemde e-mail (‘een geschrift’) van verdachte niet in de beoordeling van de oordeelsvorming door verdachte heeft betrokken.
Uit de overwegingen van het Hof kan evenwel niet, zoals de steller van het middel doet, worden afgeleid dat het Hof meende dat geen aanleiding bestond de bewuste bijlage in zijn beoordeling te betrekken. Het Hof heeft immers de mate waarin de bijlage de beschuldiging van antisemitisme heeft kunnen relativeren of nuanceren in zijn oordeel meegewogen. Aldus heeft het Hof de bijlage waarop de klacht doelt wel degelijk betrokken in zijn beoordeling. In zoverre kan de klacht geen doel treffen, nu deze feitelijke grondslag mist.
6.4. Voorts behelst de klacht, naar ik uit de daarop gegeven toelichting begrijp, dat het Hof niet op basis van alleen de (heftigheid van de) in de e-mail gebruikte bewoordingen art. 261, derde lid, Sr buiten toepassing had mogen laten.
Dat het Hof dit heeft gedaan kan echter evenmin uit zijn overwegingen worden afgeleid. Het Hof overweegt – anders dan de klacht suggereert – niet dat verdachte vanwege haar woordkeus geen beroep op art. 261, derde lid, toekomt, noch is een dergelijk oordeel uit de overwegingen van het Hof af te leiden. De overweging dat de beschuldiging van antisemitisme stellig en buitengewoon pijnlijk is heeft het Hof in een ander kader gebezigd en is ook overigens bovendien niet met het voorgaande gelijk te stellen.
Ook in zoverre kan de klacht geen doel treffen, nu dit onderdeel van de klacht berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest.
6.5. Het oordeel van het Hof dat verdachte geen beroep op het derde lid van art. 261 SrPro toekomt geeft ook overigens geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering van dat oordeel was het Hof, gelet op hetgeen te dien aanzien in hoger beroep is aangevoerd, niet gehouden. Ook in zoverre faalt het middel.
7. Het middel faalt en kan naar mijn oordeel met de aan artikel 81 lid 1 ROPro ontleende motivering worden verworpen.
8. Voor de volledigheid zij opgemerkt dat het Hof ten onrechte een proeftijd van drie jaren heeft vastgesteld ten aanzien van de naleving van de gestelde algemene voorwaarde, aangezien deze proeftijd – gelet op het in deze zaak nog geldende art. 14b, tweede lid (oud), in verbinding met art. 14c, eerste lid (oud), Sr – ten hoogste twee jaren kon bedragen. [3] Nu daarover evenwel niet wordt geklaagd, hoeft hierin geen grond te worden gevonden de bestreden uitspraak te vernietigen. [4]
Ten overvloede merk ik op dat, zou hierover wel zijn geklaagd, de Hoge Raad deze misslag zelf had kunnen herstellen door de proeftijd te bepalen op twee jaar. [5]
9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.Vgl. art. 7 GrondwetPro, waarin het verbod van censuur is vastgelegd.
3.Bij Wet van 17 november 2011 is art. 14b Sr zodanig gewijzigd dat is voorzien in een proeftijd van maximaal drie jaren ten aanzien van alle algemene en bijzondere voorwaarden (Stb. 2011, 545, in werking getreden op 1 april 2012).