Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten
3.Geding in feitelijke instanties
4.Het geding in cassatie
5.Aannames ten aanzien van de feiten: het ‘plaatje’
uitsluitendom facturen voor leftovers die [F] aan belanghebbende heeft uitgereikt. [20] [F] behoort niet tot de leveranciers van wie in belanghebbendes administratie facturen voor de leverantie van stoffen zijn aangetroffen. Ik verbind daaraan de conclusie dat [F] belanghebbende niet heeft gefactureerd voor stoffen, doch slechts voor de levering van kleding (en – afzonderlijk - voor leftovers).
6.Het eerste middel
7.Leftovers onderdeel van douanewaarde?
transactiewaardevan goederen, dat wil zeggen (cursivering MvH):
voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijsindien zij voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap worden verkocht, in voorkomend geval na aanpassing overeenkomstig de artikelen 32 en 33 (...)”
als tegenprestatie voor de verkoopgedane betalingen.”
gratis of tegen verminderde prijs direct of indirect door de koper worden geleverd om te worden gebruikt bij de voortbrenging en de verkoop voor uitvoer van de ingevoerde goederen,voor zover deze waarde niet in de werkelijk betaalde of te betalen prijs is begrepen:
die in de ingevoerde goederen worden verwerkt;
de voortbrenging van de ingevoerde goederen worden verbruikt;
nietgecursiveerde – slotzinsnede van de aanhef van artikel 32, lid 1, onder b, van het CDW, wordt pas toegekomen aan bijtelling op grond van deze bepaling, wanneer vaststaat dat de waarde van de daarin vermelde elementen niet is begrepen in de werkelijk betaalde of te betalen prijs. Dat wil, gelet op artikel 29, lid 3, onder a, van het CDW, zeggen als deze waarde niet al kan worden gerekend tot de totale betaling die door de koper aan de verkoper of ten behoeve van de verkoper voor de ingevoerde goederen is of moet worden gedaan als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen.
“en derhalve een voorwaarde van de verkoop vormt”. Dat leidt het HvJ tot de vaststelling:
om te worden gebruiktbij de voortbrenging en de verkoop van de ingevoerde goederen, zoals de aanhef van artikel 32, lid 1, onder b, van het CDW voorschrijft (zie punt 7.10 voor een weergave van deze bepaling). Wat betreft de – voor de onderhavige procedure relevante – onderdelen i en iii zij opgemerkt dat de leftovers, naar vaststaat, niet worden verwerkt [33] in de ingevoerde kleding (onderdeel i), terwijl zij mijns inziens evenmin worden verbruikt [34] bij de voortbrenging van de kleding (onderdeel iii).
en maakt,ongeacht of er nu wel of niet een vertegenwoordiger optreedt,
deel uit van de kostprijs. Deze vergoeding dient derhalve wel in de douanewaarde te worden begrepen.”
8.Het Hof en de middelen
Ten aanzien van de “left-overs”