ECLI:NL:HR:2016:348

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 maart 2016
Publicatiedatum
3 maart 2016
Zaaknummer
14/02809
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Douanewaarde van kledingstukken en de verwerking van left fabric in het douanerecht

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 4 maart 2016 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure over de douanewaarde van kledingstukken die door belanghebbende, een (groot)handel in kleding, zijn ingevoerd. De Staatssecretaris van Financiën had beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, die op 17 april 2014 had geoordeeld over de douanerechten die aan belanghebbende waren opgelegd. De kwestie draaide om de vraag of de kosten van 'left fabric', dat wil zeggen de delen van de stoffen die niet in de kledingstukken zijn verwerkt, moesten worden meegerekend bij de douanewaarde van de ingevoerde kleding.

Belanghebbende had stoffen en fournituren ter beschikking gesteld aan fabrikanten in het Verre Oosten voor de vervaardiging van kleding. De Inspecteur stelde dat de kosten van de left fabric, die door de leverancier [F] aan belanghebbende in rekening waren gebracht, moesten worden opgeteld bij de douanewaarde. Het Hof oordeelde echter dat deze left fabric niet als gratis geleverde goederen kon worden aangemerkt en dat de betalingen voor left fabric geen voorwaarde waren voor de verkoop van de kleding. Dit oordeel was gebaseerd op de vaststelling dat belanghebbende de beschikkingsmacht over de left fabric had en deze zelf kon verkopen of gebruiken.

De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. De Raad oordeelde dat de left fabric niet bij de douanewaarde van de kleding moest worden opgeteld, omdat deze niet als een voorwaarde voor de verkoop van de kleding kon worden beschouwd. De uitspraak van de Hoge Raad heeft belangrijke implicaties voor de wijze waarop douanewaarde wordt vastgesteld in gevallen waarin goederen worden ingevoerd die zijn vervaardigd uit materialen die door de koper zijn aangeleverd.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden
Derde Kamer
Nr. 14/02809
4 maart 2016
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 17 april 2014, nrs. 12/00570 en 12/00571, op het hoger beroep van
[X1] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nrs. AWB 11/1875 en AWB 11/1876) betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van douanerechten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
Op 17 februari 2015 heeft Advocaat-Generaal M.E. van Hilten geconcludeerd tot ongegrond verklaren van het beroep in cassatie.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende drijft een (groot)handel in kleding. Zij ontwerpt kleding die wordt vervaardigd door verschillende, in het Verre Oosten gevestigde ondernemers (hierna: de fabrikanten). De kleding wordt vervaardigd uit stoffen en met fournituren die daartoe aan de fabrikanten ter beschikking worden gesteld.
2.1.2.
Gedurende de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 juni 2009 zijn door of in opdracht van belanghebbende aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van kleding als hiervoor in 2.1.1 bedoeld (hierna: de kleding). De douanewaarde hiervan is vastgesteld met toepassing van de artikelen 29 en 32 van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW), telkens onder overlegging van een factuur waarop [F] Limited te Hong Kong (hierna: [F] ) de kleding aan belanghebbende in rekening bracht.
2.1.3.
De Inspecteur heeft een controle na invoer ingesteld met betrekking tot de hiervoor in 2.1.2 bedoelde aangiften voor het vrije verkeer. In de administratie van belanghebbende heeft hij facturen aangetroffen waarop door [F] aan belanghebbende bedragen in rekening zijn gebracht voor ‘left fabric’. Dit betreft delen van de aan de fabrikanten ter beschikking gestelde stoffen waaruit geen kledingstukken zijn vervaardigd. Het ontstaan van deze ‘left fabric’ was een gevolg van de omstandigheid dat de leveranciers van stoffen een bepaalde minimale hoeveelheid leveren, waardoor (veel) meer stof werd ingekocht dan voor de vervaardiging van de kleding noodzakelijk was. De aldus ontstane overschotten aan stof (hierna: de left-overs) zijn door [F] – apart van de kleding zelf - aan belanghebbende onder de aanduiding ‘left fabric’ in rekening gebracht.
2.1.4.
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de hiervoor in 2.1.3 bedoelde bedragen die voor de left-overs in rekening zijn gebracht tot de douanewaarde van de kleding behoren. Op grond daarvan heeft hij meer verschuldigde douanerechten van belanghebbende nagevorderd.
2.2.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat de left-overs niet kunnen worden aangemerkt als door de koper gratis geleverde goederen als bedoeld in artikel 32, lid 1, letter b, van het CDW, gelet op de facturen van belanghebbendes leverancier [F] met als factuuromschrijving ‘left fabric’ en de daaruit voortvloeiende betalingen door belanghebbende aan [F] .
2.2.2.
Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de betalingen voor de left-overs geen betalingen zijn die moesten worden gedaan als voorwaarde voor de verkoop van de kleding, een en ander in de zin van artikel 29, lid 3, letter a, van het CDW. Dit oordeel heeft het Hof gegrond op de omstandigheid dat belanghebbende in het productieland de beschikkingsmacht over de left-overs verkrijgt en dat zij deze - door tussenkomst van [F] - verkoopt of gebruikt voor de vervaardiging van textielproducten. Naar het oordeel van het Hof zijn mitsdien de betalingen voor de left-overs geen betalingen voor de kleding, maar betalingen voor de aanschaf van de left-overs zelf.
2.3.1.
Middel I houdt in de klacht dat het Hof ten onrechte [F] als leverancier van belanghebbende heeft aangemerkt. Volgens het middel fungeert [F] in de relatie tot belanghebbende als inkoopagent en stond derhalve het optreden van [F] , anders dan het Hof heeft geoordeeld, niet eraan in de weg dat sprake kon zijn van gratis door de koper geleverde stoffen, als bedoeld in artikel 32, lid 1, aanhef en letter b, van het CDW.
2.3.2.
Uit de stukken van het geding blijkt dat belanghebbende en de Inspecteur voor het Hof eenparig het standpunt huldigden dat [F] met betrekking tot de kleding als inkoopagent voor belanghebbende is opgetreden. Ook de Rechtbank is hiervan uitgegaan. In ’s Hofs uitspraak wordt geen melding gemaakt van feiten die ertoe noopten om in afwijking van het standpunt van partijen voor de toepassing van artikel 29 van het CDW [F] als de verkoper van de kleding te beschouwen. Het Hof heeft derhalve ten onrechte op die grond de toepasselijkheid van artikel 32, lid 1, aanhef en letter b, van het CDW uitgesloten.
Hoewel middel I mitsdien terecht is voorgesteld, kan het in verband met hetgeen hierna in 2.4 wordt overwogen, niet tot cassatie leiden.
2.4.1.
Middel II houdt in de eerste plaats een motiveringsklacht in, gericht tegen de vaststelling van het Hof dat belanghebbende in het productieland de beschikkingsmacht over de left-overs verkrijgt en de left-overs - door tussenkomst van [F] - verkoopt of gebruikt voor de vervaardiging van textielproducten.
Het middel faalt in zoverre, aangezien de bestreden vaststellingen op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen berusten en deze vaststellingen voorts als van feitelijke aard in cassatie niet op juistheid kunnen worden getoetst. De vaststellingen zijn ook niet onbegrijpelijk.
2.4.2.
Middel II voert voor het overige aan dat artikel 32, lid 1, aanhef en letter b, van het CDW zo moet worden uitgelegd dat de omstandigheid dat belanghebbende gehele rollen stof heeft moeten aankopen om de kleding te doen vervaardigen, meebrengt dat de werkelijk betaalde of te betalen prijs van de kleding niet alleen moet worden verhoogd met de waarde van de rollen stof voor zover die door de fabrikanten zijn gebruikt voor het vervaardigen van de kleding maar met de waarde van de gehele rollen stof.
2.4.3.
Vaststaat dat belanghebbende de kleding heeft laten vervaardigen uit stoffen en met fournituren die daartoe kosteloos – door bemiddeling van [F] - aan de fabrikanten ter beschikking zijn gesteld. In zijn arrest van 12 december 2013, Ionannis Christodoulou e.a., C‑116/12, ECLI:EU:C:2013:825, Douanerechtspraak 2014/10, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie onder meer voor recht verklaard:
“De artikelen 29 en 32 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 82/97 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996, moeten aldus worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op de vaststelling van de douanewaarde van goederen die zijn ingevoerd op basis van een overeenkomst die, hoewel zij als verkoopovereenkomst wordt gekwalificeerd, in feite een bewerkings‑ of verwerkingsovereenkomst is.”
Dit betekent dat ingeval sprake is van een bewerkings– of verwerkingsovereenkomst – zoals hier het geval is – de douanewaarde van de ingevoerde goederen wordt gevormd door de werkelijk betaalde of te betalen prijs die de bewerkers of verwerkers als maakloon in rekening brengen, op de voet van artikel 32, lid 1, aanhef en letter b, aanhef en onderdeel i), van het CDW verhoogd met de op passende wijze toe te rekenen waarde van de door de koper aan de fabrikanten gratis aangeleverde goederen om te worden gebruikt bij de voortbrenging en de verkoop voor uitvoer van de ingevoerde goederen (vgl. punt 48 van het zojuist vermelde arrest van het Hof van Justitie). Naar volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 25 juli 1991, Gebr. Hepp GmbH & Co. KG, C-299/90, ECLI:EU:C:1991:334, UTC 1994/43, is dit niet anders wanneer de koper de ingevoerde goederen door tussenkomst van een inkoopagent doet vervaardigen en hij door tussenkomst van diezelfde inkoopagent kosteloos goederen aan de bewerkers of verwerkers ter beschikking stelt voor de vervaardiging van de ingevoerde goederen.
2.4.4.
Artikel 32, lid 1, aanhef en letter b, aanhef en onderdeel i), van het CDW luidt:
“1. Voor het vaststellen van de douanewaarde met toepassing van artikel 29 wordt de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs verhoogd met:
b) de op passende wijze toegerekende waarde van de onderstaande goederen en diensten indien deze gratis of tegen verminderde prijs direct of indirect door de koper worden geleverd om te worden gebruikt bij de voortbrenging en de verkoop voor uitvoer van de ingevoerde goederen, voor zover deze waarde niet in de werkelijk betaalde of te betalen prijs is begrepen:
i) materialen, samenstellende delen, onderdelen en dergelijke die in de ingevoerde goederen worden verwerkt;”
In dit geval hebben de fabrikanten in de kleding verwerkt aan hen door belanghebbende – door tussenkomst van [F] – gratis ter beschikking gestelde stoffen en fournituren. Voor het Hof is niet door de Inspecteur aangevoerd dat de omstandigheid dat aan de fabrikanten meer meters stof ter beschikking zijn gesteld dan zij behoefden te gebruiken voor het vervaardigen van de ten behoeve van belanghebbende bestelde kleding, verband hield met een door de fabrikanten (de verkopers) gestelde eis of voorwaarde, zodat van het ontbreken van een dergelijke eis of voorwaarde in cassatie moet worden uitgegaan.
Aangezien, naar het Hof heeft vastgesteld, belanghebbende de beschikking heeft gehouden over die delen van de rollen stof die na de vervaardiging van de kleding zijn overgebleven, en deze overgebleven delen, naar in ’s Hofs vaststellingen ligt besloten, geen knip- of snijverliezen van de kleding vormden of anderszins als verwaarloosbare of waardeloze restanten van de vervaardiging van de kleding waren te beschouwen maar als zodanig een zekere economische waarde vertegenwoordigden, is onder deze omstandigheden een toerekening van de waarde van deze delen (de left–overs) aan de kleding niet passend in de zin van artikel 32, lid 1, letter b, aanhef, van het CDW.
Op grond hiervan faalt middel II eveneens voor het overige.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1488 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, E.N. Punt en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2016.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 493.