ECLI:NL:PHR:2015:1007

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2015
Publicatiedatum
7 juli 2015
Zaaknummer
13/05871
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 OpiumwetArt. 27 SrArt. 435 SvArt. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte wegens niet tijdig indienen cassatiemiddelen

Het Gerechtshof te Den Haag heeft verdachte veroordeeld tot tien weken gevangenisstraf wegens het voorbereiden van een feit als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet, door een ander te bewegen dat feit mede te plegen.

Verdachte stelde beroep in cassatie in, waarvoor de aanzegging op 4 november 2014 werd betekend. Volgens artikel 437, tweede lid, Sv moet binnen twee maanden na deze aanzegging een schriftuur met middelen van cassatie worden ingediend door een raadsman.

Binnen deze termijn is geen schriftuur ingediend, waardoor verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van de schriftuur met middelen van cassatie.

Conclusie

Nr. 13/05871
Zitting: 12 mei 2015
Mr. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Den Haag, heeft bij arrest van 14 november 2013 de verdachte wegens “Een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden, door een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien weken, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
2. Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (13/05945), waarin ik vandaag eveneens concludeer.
3. Namens verdachte heeft mr. H. Faouzi, advocaat te Zoetermeer, op 27 november 2013 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 4 november 2014 betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen twee maanden na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv, door een raadsman een schriftuur houdende middelen wordt ingediend. Binnen de termijn als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv is geen schriftuur houdende middelen bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde cassatieberoep.
4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG