ECLI:NL:PHR:2014:721
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken middelen in strafzaak
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een strafzaak. De raadsman van verdachte heeft wel tijdig beroep in cassatie ingesteld, maar heeft geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijk voorgeschreven termijn. Hierdoor is het beroep niet-ontvankelijk.
In de met de strafzaak samenhangende ontnemingszaak is geen cassatieschrift ingediend, waardoor betrokkene in die zaak eveneens niet-ontvankelijk wordt verklaard. De Hoge Raad merkt de ingediende schriftuur aan als betrekking hebbend op de strafzaak en niet op de ontnemingszaak.
De Procureur-Generaal concludeert tot niet-ontvankelijkheid in beide zaken. De Hoge Raad volgt deze conclusie en wijst het beroep af op grond van artikel 81, lid 1, van het Wetboek van Rechtsvordering.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn.