Belanghebbende verkocht de bloot eigendom van de grond waarop zijn eigen woning staat aan een bank en werd erfpachter met een verplichting tot betaling van erfpachtcanons. De canon bedroeg gedurende de eerste tien jaren circa €100.000 per jaar en daarna eeuwigdurend circa €20.000 per jaar. De bank had het recht om de bloot eigendom terug te verkopen aan belanghebbende tegen contractueel vastgelegde prijzen die afnamen over de jaren.
Het geschil betrof de vraag of de betaalde erfpachtcanons aftrekbaar waren als kosten eigen woning volgens artikel 3.120 lid 1 sub b Wet IB 2001. Het Hof kwalificeerde de overeenkomst economisch als een annuïteitenlening met een rentebestanddeel en een aflossingsbestanddeel, en oordeelde dat alleen het rentebestanddeel aftrekbaar kon zijn. Omdat belanghebbende de ontvangen koopsom niet had aangewend voor de eigen woning, achtte het Hof ook het rentebestanddeel niet aftrekbaar.
De Hoge Raad stelt dat het Hof onterecht aannam dat geen erfpacht- en opstalrechten tot stand zijn gekomen en dat sprake zou zijn van een schijnhandeling. De Hoge Raad bevestigt dat de canon economisch een annuïteitenlening is, maar oordeelt dat het rentebestanddeel wel aftrekbaar is. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en stelt het belastbaar inkomen uit werk en woning voor de jaren 2005 tot en met 2007 dienovereenkomstig vast.
De uitspraak benadrukt de zelfstandige fiscale kwalificatie van de overeenkomst en bevestigt dat de wetgever de erfpachtcanon gelijkstelt aan hypotheekrente voor het rentebestanddeel. De volledige canon aftrekken is niet toegestaan omdat het aflossingsbestanddeel niet aftrekbaar is, maar het rentebestanddeel wel, ook als de canon economisch een lening betreft.