“De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,
wonende te [woonplaats].
Op vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt.
Ik heb geen vast adres. Ik heb alleen een e-mailadres. Ik woon op een boot. Indien u mij wilt bereiken, kunt u mij het beste een e-mailbericht sturen. Op het moment dat ik dat bericht ontvangen, kan ik u een postadres opgeven, bijvoorbeeld het adres van een havenkantoor of postagentschap waar ik op dat moment met mijn boot lig. Het adres aan de [a-straat 1] te [woonplaats] is op dit moment een adres waar ik te bereiken ben, maar over een halfjaar kan het weer anders zijn.
De voorzitter vermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.
De voorzitter deelt mede dat het hof op de eerste plaats de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde wenst te stellen.
De voorzitter deelt mede de korte inhoud van e-mailbericht d.d. 9 december 2011, van verdachte inhoudende de mededeling dat hij bezwaar wenst te maken tegen het vonnis van de eerste rechter.
Op vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt.
Het klopt dat ik dat e-mailbericht heb verzonden op 9 december 2011. Men had mij op het politiebureau uitgelegd dat ik was veroordeeld en ik heb vervolgens dat e-mailbericht verzonden. Daarmee wilde ik zeggen dat ik bezwaar maakte tegen het vonnis van de kantonrechter.
Op vragen van de oudste raadsheer verklaart de verdachte als volgt.
Het klopt dat ik een soort bonnetje tussen mijn verbouwingsrommel aantrof. Het was een proces-verbaal. Ik vond het proces-verbaal pas een dag of vijf na ontvangst. Ik ben toen naar de KLPD gegaan en heb gevraagd wat het was. Het zou kunnen dat uit het dossier blijkt dat het vonnis mij op 4 december te 10.30 uur is uitgereikt. Ik heb het stuk pas op 9 december 2011 gevonden en ben toen meteen naar de KLPD gestapt. Daar zei men dat ik bij het openbaar ministerie bezwaar kon maken tegen het vonnis en dat heb ik gedaan per e-mail.
(…)
De verdachte krijgt de gelegenheid om als laatst het woord te voeren en verklaart als volgt.
Ik heb uit het relaas van de advocaat-generaal begrepen dat het niet uitmaakt hoe het hoger beroep wordt ingesteld. Je kunt je afvragen wat een geschrift is. U heeft mijn bezwaar op schrift. E-mail is vergelijkbaar met de post, wellicht niet in de zin van de PTT, maar mijn bezwaar staat toch op schrift? Ik pleit ervoor mijn e-mailbericht d.d. 9 december 2011 te accepteren als zijnde vergelijkbaar met een geschrift en mij in mijn hoger beroep te ontvangen.”