Conclusie
eerste middelis gezet in de sleutel van een ontbrekende reactie op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt “dat geen sprake is van voorbereiding van het misdrijf van artikel 244 Sr Pro. Nu [het] in dat artikel gaat om een geobjectiveerde leeftijd van (minder dan) 12 jaren en het in dit concrete geval gaat om een fictief meisje, is geen sprake van voorbereidingshandelingen”. Het
tweede middelzelf houdt, gelet op de formulering, strikt genomen niet meer in dan dat het Hof op onjuiste gronden, althans met onvoldoende motivering tot een veroordeling is gekomen. In de toelichting wordt gesteld dat de beslissing van het Hof onjuist is, omdat het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt werd ingenomen “dat slechts strafbaar is de daadwerkelijke voorbereiding van een misdrijf waarbij acuut gevaar voor de samenleving te duchten is”. Volgens de toelichting op het middel heeft het Hof daarop wel gereageerd, maar is de reactie onjuist. Beide middelen gelden niet als schoolvoorbeelden van stellige en duidelijke cassatieklachten, maar verdienen mede gelet op de aard van de problematiek bespreking. Het
derde middelbetreft de strafmotivering en bouwt voort op de beide andere middelen.
“2.x.b. seksueel binnendringen van een kind onder de twaalf jaren.
2.3.x. relatief of absoluut ondeugdelijk
Voorbereidingshandelingendoor Eelke Sikkema (Ars Aequi Libri, Nijmegen 2012) en - de jurisprudentie (bijvoorbeeld Samir A. maar ook Ford Transit en Brief in jaszak).
“Overweging met betrekking tot het bewijs
eerste middelgoed begrijp klaagt het dat op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat niet bewezen kan worden dat het object van de voorbereiding een kind van jonger dan twaalf betreft niet is gereageerd. Het standpunt is gebaseerd op de onjuiste aanname dat de leeftijd van de minderjarige moet worden bewezen. Voor zover hier van belang is bewezen is dat verdachte nader omschreven middelen voorhanden heeft gehad ter voorbereiding van (medeplegen van) seksueel binnendringen van een persoon beneden twaalf jaar, zoals omschreven in artikel 244 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Hetgeen in de pleitnota onder 2.x.b (zie onder 6 hierboven) is aangevoerd is niet aan te merken als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Immers daar wordt weliswaar betoogd dat voor strafbaarheid ter zake van (het niet tenlastegelegde en bewezenverklaarde) art. 244 Sr Pro noodzakelijk is dat er sprake is een kind beneden de leeftijd van twaalf jaar, maar ik lees niet dat wordt betoogd dat voor de (tenlastegelegde en bewezenverklaarde) voorbereiding van dat delict hetzelfde is vereist. Argumenten waarom zulks zo zou zijn lees ik al helemaal niet in de pleitnota. Dat laatste betekent dat voor zover er al sprake is van een standpunt dat standpunt dus niet is onderbouwd. Om die reden faalt het eerste middel reeds. Maar zelfs als wordt aangenomen dat er wel een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen, slaagt het middel niet, omdat het standpunt uitsluitend verworpen kan worden nu geen voltooid delict, maar een voorbereidingshandeling is tenlastegelegd. In het kader van de voorbereidingshandeling behoeven niet alle bestanddelen van een gronddelict te worden bewezen en dat is in de kern het standpunt dat de verdediging bij het Hof heeft ingenomen.
tweede middelmaak ik op dat het gaat om de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat er sprake is van voorbereiding van een fictief misdrijf omdat, zoals bij wijze van uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zou zijn betoogd, “slechts strafbaar is de daadwerkelijke voorbereiding van een misdrijf waarbij acuut gevaar voor de samenleving te duchten is”. Volgens de toelichting op het middel heeft het Hof daarop gereageerd, maar is die reactie onjuist. Het middel klaagt dus blijkens de toelichting over een ontoereikende verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.
derde middelklaagt dat artikel 359 Sv Pro geschonden is omdat het Hof de straf mede baseert op een omstandigheid die daaraan niet ten grondslag gelegd kan worden, danwel heeft het Hof ‘haar beslissing gebaseerd op gronden die deze beslissing niet, althans niet zonder nadere motivering – die ontbreekt – kunnen dragen’.