De verdachte werd aangehouden op verdenking van grooming, strafbaar gesteld in artikel 248e Sr, omdat hij via internet een ontmoeting wilde arrangeren met een persoon die zich voordeed als minderjarig. Tijdens het onderzoek bleek dat het contact in werkelijkheid was met een meerderjarige opsporingsambtenaar die zich voordeed als een 13-jarige jongen.
De rechtbank stelde de verdachte buiten vervolging, maar de officier van justitie ging hiertegen in hoger beroep. Het hof oordeelde dat strafbaarheid op grond van artikel 248e Sr vereist dat het beoogde slachtoffer daadwerkelijk jonger dan zestien jaar is. De intentie van de verdachte alleen is niet voldoende.
Daarnaast werd de aanhouding van de verdachte als onrechtmatig beoordeeld omdat de politie wist dat het contact was met een meerderjarige. Hierdoor was ook het bewijs van kinderpornografisch materiaal onrechtmatig verkregen en moest dit worden uitgesloten.
Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank, verklaarde het bezwaarschrift gegrond en stelde de verdachte buiten vervolging. De zaak benadrukt de noodzaak van een daadwerkelijk minderjarig slachtoffer voor strafbaarheid en het belang van rechtmatige bewijsvergaring.