Conclusie
één onderdeeldat in essentie twee klachten aanvoert: (i) het hof zou in rov. 2.17 ten onrechte niet (expliciet) hebben beoordeeld of de tekortkomingen een duidelijke aanwijzing vormen dat bij verzoeker de van haar te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt, althans niet of onvoldoende hebben gemotiveerd waarom voldoende vertrouwen in nakoming van de verplichtingen de tekortkomingen ontbreekt, en (ii) [verzoekster] zou wel degelijk (deels) aan haar verplichtingen hebben voldaan.