Conclusie
1.Feiten en procesverloop
“In ieder geval geven de bevindingen aanleiding voor het vermoeden dat[eiser 1]
, door het schrijven van uren op cliënten die (door een accountmanager van IBR) worden aangeduid als ‘fake’ klanten en het vervolgens stelselmatig over- en afboeken van die uren, een bepaald productieniveau of een bepaalde verdiencapaciteit heeft voorgewend, terwijl dat productieniveau respectievelijk die verdiencapaciteit in werkelijkheid niet aanwezig was.”
( [2] )).
( [3] )hebben [eisers] op de voet van artikel 16D.1 van de MO 2000, waarin is bepaald dat geschillen zullen worden beslecht door middel van arbitrage, een arbitrageaanvraag bij het Nederlands Arbitrage Instituut ingediend in verband met het geschil met BDO over het beëindigen van lidmaatschap van de maatschap. Bij arbitraal vonnis van 28 december 2005 heeft het Scheidsgerecht geoordeeld dat, tenzij het uitzettingsbesluit geldig is, de maatschapsovereenkomst tussen [eiseres 2] en BDO voor 50% is geëindigd op 1 januari 2005 en voor 100% op 1 mei 2006. Het Scheidsgerecht achtte zich niet bevoegd om de geldigheid van het uitzettingsbesluit te beoordelen, omdat die geldigheid op basis van de MO 2003 diende te worden beoordeeld en de MO 2003 niet (langer) inhield dat geschillen door middel van arbitrage zullen worden beslecht.
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
“Voor zover grief VII erover klaagt dat de rechtbank het bedoelde memo als zelfstandige grond ter rechtvaardiging van het uitzettingsbesluit heeft aangemerkt, slaagt deze grief derhalve.”Daarmee geeft het hof te kennen dat grief VII, op zichzelf genomen, tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank moet leiden. Daarmee is de voorwaarde voor het toepassing geven aan de (positieve) devolutieve werking van het appel reeds vervuld. Niet nodig is dat de nieuwe herbeoordeling ook leidt tot daadwerkelijke vernietiging van de bestreden uitspraak.
“Duidelijk is dat niet zozeer de discussie over de arbeidsongeschiktheid van [eiser 1] als zodanig, als wel het verwijt dat [eiser 1] niet tijdig en volledig informatie over zijn arbeidsongeschiktheid heeft verschaft, één van de redenen vormde voor de opzegging.”
( [4] ). In die brief wordt aangegeven, zo wordt gesteld, dat de discussie over de arbeidsongeschiktheid niet langer opportuun is. Daarbij wordt gedoeld op de voorlaatste alinea van de brief, die luidt:
“Aangezien dit standpunt –[inzake afwikkeling van het lidmaatschap van [eiser 1] van de maatschap]
– is gebaseerd op inmiddels bekend geworden feiten, achten wij discussie over andere aspecten van het indertijd door de Raad van Bestuur aan de maatschapsvergadering voorgelegde voorstel van 29 mei 2002 (met name voor wat betreft de daarin bedoelde “performance indicatoren”) thans niet meer opportuun.”
“Wij benadrukken dat het late tijdstip van dit definitieve standpunt door de maatschap grotendeels is veroorzaakt door het achterhouden door u van wezenlijke informatie, zoals de UWV- beschikkingen van 29 april 2003.”De voorlaatste alinea uit de brief van 30 december 2003 laat zich veeleer aldus verstaan dat het bestuur van BDO, anders dan in mei 2002, niet meer bereid was om nadere afspraken te maken over de door [eiser 1] nog te plegen inzet voor de maatschap gelet op zijn gezondheidssituatie.
3.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
“Het argument van BDO dat het tot een onredelijke situatie zou kunnen leiden dat de ingangsdatum van de opzegging wordt vertraagd indien het om wat voor reden niet mogelijk zou zijn om op korte termijn na het ontstaan van de reden voor opzegging een maatschapsvergadering bijeen te roepen, terwijl aan betrokken vennoot is kenbaar gemaakt met ingang van welke datum de opzegging zal ingaan, kan het hof niet overtuigen.( [5] )In de maatschapsovereenkomst is immers (in artikel 5B.4) voorzien in de mogelijkheid van besluitvorming buiten vergadering of in vergadering zonder dat aan de oproepingsvereisten behoeft te zijn voldaan. Niet valt daarom in te zien dat besluitvorming zo nodig op (zeer) korte termijn mogelijk zou zijn.”Na voorop gesteld te hebben dat Wegenhagen c.s. zich nooit op artikel 5B.4 hebben beroepen voor het verweer tegen BDO’s stelling dat het uitzettingsbesluit met terugwerkende kracht tot 31 december 2003 had kunnen worden genomen, wordt vervolgens erover geklaagd dat het hof door artikel 5B.4 in zijn beoordeling te betrekken artikel 24 Rv Pro heeft geschonden, immers aan het verweer van [eisers] een grondslag heeft gegeven die door hen niet is aangevoerd, alsook artikel 19 Rv Pro, waarin het recht van hoor en wederhoor is vastgelegd, doordat BDO niet in staat is gesteld zich over die grondslag uit te laten.
( [6] )– MO 2003 ook rekening te houden met andere bepalingen in de MO 2003. Daarbij hoefde het hof zich, nu de uitlegmaatstaf niet in die zin is geclausuleerd, niet te beperken tot bepalingen in de MO 2003 waarop [eisers] expliciet een beroep hadden gedaan. In de niet geclausuleerde uitlegmaatstaf ligt ook besloten dat hof artikel 5B.4 in zijn beoordeling had mogen betrekken zonder eerst BDO en [eisers] in de gelegenheid te stellen om zich over dat artikel uit te laten. Dat zou alleen anders zijn geweest, indien partijen in redelijkheid er geen rekening mee zouden hebben hoeven te houden dat het hof dat artikel bij de uitleg van artikel 11C.2 van de MO 2003 in aanmerking zou nemen, althans niet in de zin als het hof doet, en er derhalve van een verrassingsbeslissing zou kunnen worden gesproken. Dit laatste wordt echter door BDO in cassatie niet aangevoerd.
( [7] )