Conclusie
eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, valt in twee klachten uiteen. De eerste klacht luidt dat het Hof bij de kwalificatie van het witwassen een te zware maatstaf heeft aangelegd, nu voldoende is dat het “aannemelijk’ is dat een voorwerp uit eigen misdrijf afkomstig is, terwijl het Hof daarentegen ervan uitgaat dat zulks “vast moet staan”. De tweede klacht houdt in dat, gelet op het onder 2 bewezenverklaarde, het oordeel van het Hof dat de onder verzoeker aangetroffen geldbedragen – in totaal € 29.500,- – niet van een door hemzelf begaan misdrijf afkomstig is, onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd is.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
eigenmisdrijf. Het Hof heeft vervolgens het geldbedrag van in totaal € 29.500,- verbeurd verklaard. [1] In dat verband maakt het Hof een onderscheid tussen het geldbedrag van € 9.000,- dat is gevonden in de berging van verzoeker en het geldbedrag van € 20.500,- dat is aangetroffen in zijn nachtkastje. Voorts heeft het Hof overwogen dat het aannemelijk is dat het geldbedrag van € 9.000,- aan verzoeker toebehoort, maar dat het niet heeft kunnen vaststellen aan wie het geldbedrag van € 20.500,- toebehoort.
aannemelijk [2] moet zijn dat het geld afkomstig is uit eigen misdrijf. Dat is inderdaad een lichtere maatstaf dan “vaststaan”.
tweede middelkeert zich tegen de bewezenverklaring van feit “2 ten eerste” en valt eveneens in twee klachten uiteen. Volgens de eerste klacht heeft het Hof een bewijsmiddel – te weten het tapgesprek ‘817’ – naar zijn inhoud gedenatureerd. De tweede klacht stelt dat het Hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat tapgesprek ‘817’ niet redengevend is voor het bewijs, althans dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dit gesprek wél redengevend is voor het bewijs.
Conclusie
De nieuwe vertaling door “tolk 2”
Gesprek 817/bm 7
Bewijsoverwegingen
derde middelklaagt dat er een forse overschrijding heeft plaatsgevonden van de redelijke inzendtermijn in cassatie. Gelet op mijn conclusie ten aanzien van het eerste middel behoeft dit middel geen bespreking.