Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van honderd dagen wegens poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen met braak. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld door de raadsman van verdachte.
De aanzegging van het cassatieberoep werd op 30 april 2014 betekend. Volgens artikel 437, tweede lid, Sv moet de schriftuur met middelen binnen twee maanden na betekening worden ingediend. De schriftuur is echter pas op 1 juli 2014 ontvangen, wat buiten de wettelijke termijn valt.
De verdediging stelde dat de schriftuur tijdig per fax was verzonden naar de griffie van het hof Amsterdam, maar dit is niet relevant omdat de griffie niet de juiste instantie is en er geen doorzendplicht geldt. Ook indien de schriftuur naar de griffie van het hof Den Haag was gezonden, leidt dit niet tot een ander oordeel.
De Hoge Raad concludeert dat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, Sv niet is nageleefd en verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.