Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
3 februari 2015.
Hoge Raad
De verdachte heeft bij de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. Namens de verdachte heeft een raadsman een schriftuur ingediend die echter pas na afloop van de wettelijke termijn bij de griffie van de Hoge Raad is ontvangen. De Advocaat-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De verdediging voerde aan dat de schriftuur binnen de termijn per fax was verzonden en ontvangen op de griffie van het Gerechtshof Amsterdam, maar dat deze griffie nagelaten had de schriftuur door te zenden naar de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelt dat dit niet leidt tot een ander oordeel over de ontvankelijkheid, ook niet als de schriftuur naar de griffie van het Gerechtshof Den Haag zou zijn gezonden.
De Hoge Raad verklaart de verdachte daarom niet-ontvankelijk in het cassatieberoep en bevestigt hiermee het belang van tijdige indiening van schrifturen bij de juiste instantie. Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken in openbare terechtzitting.
Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet tijdige indiening van de schriftuur bij de Hoge Raad.