ECLI:NL:PHR:2014:2772

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2014
Publicatiedatum
22 januari 2015
Zaaknummer
14/03259
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 322 lid 3 SvArt. 422 SvArt. 423 lid 4 SvArt. 440 SvArt. 80a RO
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-naleving art. 322 lid 3 Sv leidt tot niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken instemming met hervatting onderzoek

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte is veroordeeld voor poging tot afpersing gepleegd door meerdere personen. Het geschilpunt in cassatie betreft de toepassing van artikel 322, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), dat voorschrijft dat bij een gewijzigde samenstelling van het hof het onderzoek opnieuw moet worden aangevangen tenzij verdachte en de officier van justitie instemmen met voortzetting in de oude stand.

In deze procedure was het hof bij verschillende zittingen anders samengesteld. Het onderzoek werd hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing, zonder dat uit het proces-verbaal bleek dat verdachte en de AG hiermee hadden ingestemd. De verdachte had op een eerdere zitting een uitgebreide verklaring afgelegd die het hof als bewijs gebruikte, terwijl op de latere zitting niet alle rechters deze verklaring uit eigen mond hadden gehoord, wat leidde tot een onevenwichtigheid in het proces.

De Hoge Raad bevestigt dat het hof het onderzoek opnieuw had moeten aanvangen bij gewijzigde samenstelling zonder instemming. Echter, het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte niet heeft aangetoond dat hij door deze procedurele fout een in rechte te respecteren belang heeft geleden dat tot vernietiging en hernieuwde behandeling zou moeten leiden. De Hoge Raad volgt hiermee eerdere jurisprudentie en benadrukt het belang van het vereiste van instemming bij hervatting van het onderzoek.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het arrest en tot een passende beslissing op basis van artikel 440 Sv Pro, maar het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak sluit aan bij eerdere arresten over de naleving van artikel 322 lid 3 Sv Pro en het belang van de verdediging bij instemming met hervatting van het onderzoek.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een in rechte te respecteren belang bij niet-naleving van artikel 322 lid 3 Sv.

Conclusie

Nr. 14/03259
Zitting: 2 december 2014
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 27 juni 2013 verdachte wegens “poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van eenendertig maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het Hof de straf ten aanzien van de niet aan hoger beroep onderworpen, door de Rechtbank Groningen bij vonnis van 5 april 2012 onder 2, 5 en 6 bewezenverklaarde feiten, conform art. 423, vierde lid, Sv bepaald op een gevangenisstraf van negen maanden. Het Hof heeft ook bepaald dat de Rechtbank heeft beslist tot tenuitvoerlegging van het vonnis van de politierechter van de Rechtbank van 2 november 2011 onder parketnummer 18/179891-10, voor zover het betreft de voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 250,- subsidiair 5 dagen vervangende hechtenis. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij, [benadeelde partij 1], niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering en heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij 2], toegewezen tot een bedrag van € 1.000,-. Ten behoeve van [benadeelde partij 2] heeft het Hof tevens een schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opgelegd. De vordering tot gevangenneming heeft het Hof afgewezen.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld. [1]
3. Namens verdachte heeft mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen, twee middelen van cassatie voorgesteld.
4.
Het eerste middel
4.1. Het middel behelst de klacht dat art. 322, derde lid, Sv niet is nageleefd, omdat het proces-verbaal van de zitting van 13 juni 2013 niet inhoudt dat de verdachte heeft ingestemd (en de Advocaat-Generaal bij het Hof overigens evenmin) met de hervatting van het onderzoek waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing daarvan op 27 september 2012.
4.2. De procesgang in hoger beroep is, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt geweest.
i) De zaak heeft gediend op de terechtzittingen van 24 mei 2012 (regiezitting), 13 augustus 2012 (pro forma-zitting), 27 september 2012, 31 januari 2013 en 13 juni 2013.
ii) Op de terechtzittingen van 24 mei 2012, 13 augustus 2012 en 27 september 2012 was het Hof telkens anders samengesteld. Het onderzoek van de zitting van 27 september 2012 is met instemming van de raadsman van verdachte en de Advocaat-Generaal bij het Hof hervat in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing van 24 mei 2012 bevond, zo blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 september 2012. Uit dat proces-verbaal blijkt ook dat de verdachte op die zitting een uitgebreide verklaring heeft afgelegd met betrekking tot hetgeen aan hem onder feit 1 ten laste was gelegd.
iii) Het proces-verbaal van de zitting van 31 januari 2013 vermeldt: “De zaak zal vandaag niet inhoudelijk worden behandeld, omdat het wenselijk is dat een of meer raadsheren uit de samenstelling die de onderhavige zaak op 27 september 2012 inhoudelijk hebben behandeld, opnieuw deel uitmaken van de samenstelling die de getuigen zal gaan horen. Dat is vandaag niet het geval.”
iv) Op de zitting van 13 juni 2013 was het Hof wederom anders samengesteld dan op alle voorgaande zittingen. Het proces-verbaal van die terechtzitting vermeldt: “Het onderzoek ter terechtzitting wordt hervat in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing d.d. 27 september 2012 bevond.” Op de zitting van 13 juni 2013 zijn twee getuigen gehoord.
v) De bestreden uitspraak houdt onder meer in: “Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 27 september 2012, 31 januari 2013 en 13 juni 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.”
vi) Uit de aanvulling op het verkorte arrest blijkt dat het Hof (een deel van) de verklaring die de verdachte aflegde op de terechtzitting van 27 september 2012 als bewijsmiddel 5 voor het bewijs van feit 1 heeft gebruikt.
4.3. Artikel 322, derde lid, Sv bepaalt:
“De rechtbank beveelt dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen in het geval de samenstelling van de rechtbank bij de hervatting gewijzigd is, tenzij de officier van justitie en de verdachte instemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de schorsing bevond.”
4.4 Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juni 2013 blijkt niet dat de Advocaat-Generaal bij het Hof en de verdachte hebben ingestemd met de hervatting van het onderzoek in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing van 27 september 2012 bevond. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat die instemming niet is gegeven. Het middel klaagt hier dus terecht over.
4.5. Vervolgens rijst de vraag of de verdachte als gevolg van de niet-naleving van art. 322, derde lid, Sv in enig rechtens te respecteren belang is getroffen. In de schriftuur wordt toegelicht dat en waarom dat het geval zou zijn. [2] Het belang is gelegen in het feit dat het Hof een deel van de door de verdachte ter zitting van 27 september 2012 afgelegde verklaring voor het bewijs heeft gebruikt, terwijl zonder die verklaring het bewijs onvoldoende is, aldus de steller van het middel. Nu is de vraag of daarin het belang moet worden gezocht dat het geschonden voorschrift beoogt te beschermen. Ik merk daarbij op dat, als het onderzoek op de zitting van 13 juni 2013 opnieuw was aangevangen, de op de eerdere zitting door de verdachte afgelegde verklaring wel degelijk voor het bewijs had kunnen worden gebruikt, mits het proces-verbaal van die zitting was voorgelezen of de korte inhoud daarvan was meegedeeld. Ik zou de verdachte daarop echter niet willen afrekenen en de schriftuur aldus willen verstaan dat het Hof een gedeelte van de afgelegde verklaring heeft gebruikt zonder dat alle rechters uit verdachtes eigen mond hebben gehoord hoe die verklaring volgens de verdachte moet worden begrepen. Op de zitting van 27 september 2012 is de verdachte uitvoerig verhoord, waarbij de verdachte een versie van het gebeuren heeft gegeven die hem vrijpleit. Op de zitting van 13 juni 2013 is de verdachte niet opnieuw gehoord over de feiten, althans lang niet zo uitvoerig. Wel zijn toen de getuigen gehoord, die verklaringen aflegden die afweken van die van de verdachte. Daarmee is een onevenwichtigheid in het proces geslopen. Niet alle rechters hebben de verdachte zijn verhaal horen vertellen, maar hebben wel “onmiddellijk” kennis genomen van de daarmee strijdige verklaringen van de getuigen. Daarmee heeft de verdachte inderdaad belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak.
4.6. Het eerste middel slaagt.
5. Het voorgaande betekent dat het tweede middel – dat overigens terecht klaagt over schending van de inzendtermijn - geen bespreking behoeft.
6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Deze zaak hangt samen met de zaken 13/03398 en 13/04457, in welke beide zaken ik vandaag eveneens concludeer.
2.Zie HR 28 januari 2014:ECLI:NL:HR:2014:180.