ECLI:NL:PHR:2014:264

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 januari 2014
Publicatiedatum
8 april 2014
Zaaknummer
13/01491
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81.1 ROArt. 322, vierde lid, Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing getuigenverzoek en deskundigenonderzoek in poging tot doodslag

Verzoeker is bij arrest van het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens poging tot doodslag tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 voorwaardelijk. In hoger beroep verzocht de verdediging om het horen van twee ooggetuigen en een nader deskundigenonderzoek naar de aard van het letsel bij het slachtoffer.

Het Hof wees deze verzoeken af omdat het horen van de getuigen niet noodzakelijk werd geacht en het medisch dossier voldoende duidelijkheid bood over het letsel. De verdediging herhaalde het verzoek tot het horen van de getuigen bij de terechtzitting van 21 februari 2013, maar niet het verzoek tot nader deskundigenonderzoek.

De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep niet slaagt. Het verzoek tot nader onderzoek is niet herhaald bij de zitting en kan daarom niet met succes worden aangevoerd. De afwijzing van het getuigenverzoek is voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Het middel faalt en het beroep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het arrest van het Hof Amsterdam blijft in stand.

Conclusie

Nr. 13/01491
Zitting: 21 januari 2014
Mr. Hofstee
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is bij arrest van 7 maart 2013 door het Gerechtshof te Amsterdam wegens primair “poging tot doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander op de wijze als weergegeven in het arrest.
2. Namens verzoeker heeft mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Alvorens het middel te bespreken, voor de duidelijkheid eerst even een beknopte weergave van de procesgang in hoger beroep zoals daarvan uit de gedingstukken blijkt.
4. Namens verzoeker is op 25 april 2012 tijdig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Haarlem d.d. 24 april 2012. In de appelschriftuur, gedateerd 9 mei 2012 en ontvangen op 5 juni 2012, verzoekt de raadsman van verzoeker onder meer (i) [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen te (doen) horen over hetgeen zij precies hebben waargenomen en (ii) een nader onderzoek door een deskundige te laten doen naar de steekwond bij het slachtoffer (is deze 3 cm diep of 3 cm lang, is het een steekwond door het oor of een snijwond?). In reactie op deze verzoeken laat het ressortsparket Amsterdam namens de advocaat-generaal in een schrijven van 5 december 2012 aan de raadsman weten zich gelet op het verdedigingsbelang niet te zullen verzetten tegen het verzoek om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen te horen, maar de noodzaak tot een nader onderzoek door een deskundige niet te zien, nu de medische verklaring rept van een steekwond van 3 cm schuin achter het rechteroor tot in de nekmusculatuur. Op de regiezitting van het Hof van 6 december 2012 herhaalt de raadsman de verzoeken. Het verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] wordt afgewezen, nu verzoeker daardoor niet in zijn verdedigingsbelang wordt geschaad. Het Hof wijst erop dat [betrokkene 1] heeft verklaard wel bij de vechtpartij aanwezig te zijn geweest, maar niemand met voorwerpen in handen en ook geen bloed te hebben gezien, en dat [betrokkene 2] heeft verklaard dat het slachtoffer al was gestoken toen hij eraan kwam. Ook het verzoek tot nader medisch onderzoek wordt afgewezen, omdat de noodzaak daartoe niet is gebleken nu uit de medische verklaring duidelijk van een steekverwonding blijkt. Op de terechtzitting van het Hof van 21 februari 2013 wordt het onderzoek opnieuw aangevangen wegens een andere samenstelling van het Hof. Op deze terechtzitting doet de raadsman enkel opnieuw het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen (ingeval het Hof tot een veroordeling van het tenlastegelegde komt), en dus niet opnieuw het verzoek tot een nader onderzoek door een deskundige naar het letsel bij het slachtoffer. Daarover hierna onder 8 en volgende meer. In het bestreden arrest van 7 maart 2013 wijst het Hof het verzoek om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen te horen af op de gronden zoals verwoord in het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 6 december 2012, nu de noodzaak daartoe niet is gebleken en dit verzoek bovendien onvoldoende is onderbouwd.
5. Het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, valt uiteen in twee klachten: (i) de afwijzing van het verzoek tot het horen van de opgegeven getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] steunt op onjuiste gronden of is onvoldoende gemotiveerd, en (ii) bij de afwijzing van het verzoek om een nader deskundigenonderzoek naar het letsel is door het Hof het verkeerde criterium toegepast, waarbij komt dat het Hof dit verzoek feitelijk onjuist als een nader medisch onderzoek en, zo begrijp ik de toelichting op het middel, ten onrechte niet als een verzoek tot het horen van een deskundige heeft verstaan.
6. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In beginsel kan in cassatie worden geklaagd over alle tussenuitspraken die zijn voorafgegaan aan een einduitspraak. Cassatieberoep is echter niet mogelijk tegen tussenbeslissingen die niet zijn gegeven op of naar aanleiding van een terechtzitting die tot de einduitspraak heeft geleid. [1] Indien dus na de tussenuitspraak het onderzoek ter terechtzitting is geschorst en later wegens een gewijzigde samenstelling van het Hof opnieuw wordt aangevangen kan in cassatie niet met vrucht worden geklaagd over de tussenuitspraak, tenzij de eerder gedane verzoeken of eerder gevoerde verweren worden herhaald op de terechtzitting naar aanleiding waarvan de einduitspraak is gegeven. [2]
7. Blijkens zijn inhoud is het bestreden arrest gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 februari 2013 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De tussenbeslissingen houdende (i) de afwijzing van het verzoek tot het horen van voornoemde getuigen en (ii) de afwijzing van verzoek tot het doen van nader onderzoek zijn gegeven op de terechtzitting van 6 december 2012. Ter terechtzitting van 21 februari 2013 is, zoals gezegd, het ter terechtzitting van 6 december 2012 geschorste onderzoek wegens gewijzigde samenstelling van het Hof opnieuw aangevangen, hetgeen voor zover hier van belang betekent dat de verdediging de bedoelde verzoeken heeft moeten herhalen op de terechtzitting van 21 februari 2013 ten einde daaromtrent voor cassatie vatbare beslissingen van het Hof te verkrijgen.
8. Ter terechtzitting van 21 februari 2013 heeft de raadsman van verzoeker het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van de door hem aan het Hof overgelegde pleitaantekeningen. De pleitaantekeningen houden, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, het volgende in:
“(…)
In Hoger Beroep wordt door cliënt een wat objectievere benadering verwacht. Helaas zijn de getuigen die hij graag wilde horen afgewezen ondanks het verdedigingscriterium en geen bezwaar van de AG. De ooggetuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2], zouden waardevolle informatie kunnen verschaffen en hebben wel degelijk een en ander gezien dan wel hebben moeten zien. Dat ze dat niet direct hebben verklaard bij de politie is niet maatgevend. Zie bijvoorbeeld pagina 58 onderaan waarbij verbalisant Frans spreekt met [betrokkene 2] die verklaart" ik zag 2 mensen met elkaar worstelen, een had een witte helm vast. Deze persoon had bloed in zijn nek...
Wat heeft deze getuige nu gezien.
[betrokkene 1] zou er volgens een aantal getuigen direct bij zijn geweest. We weten niet of hij ook een mes bij zich had. De politie en dus het OM mag deze getuige wel horen, maar de verdediging niet...
Zijn verklaring strook in het geheel niet met de verklaringen van de andere getuigen en ook niet met die van cliënt. Op p. 115 onderaan wil deze getuige allerlei wijziging aanbrengen, wordt gewoon niet gedaan door politie....?
Waarheidsvinding en verdedigingsbelang zijn gediend met horen van deze getuigen, bij voorkeur door RHC. Ik doe dit verzoek nogmaals.
Voorts indien u toch direct wenst verder te gaan.
(…)
Op 9 januari 2012 wordt een briefje opgemaakt door een co-assistent van het waterland ziekenhuis.
Is dus al 13 dagen later. [betrokkene 3] is gehecht en er wordt gesproken over een steekwond van 3 cm
achter het rechteroor. Dit is alleen geen forensisch arts dus of het nu een steekwond of een snijwond is staat geheel niet vast. Er is ook niet om een dergelijk onderzoek gevraagd. Is er nu een dieptemeting gedaan van de wond of betreft dit lengte, wat is er onderzocht?
Verderop staat weer dat de iets 4 cm lang is, de steekwond neem ik dan maar aan, of moeten we dat
juist niet allemaal zomaar aannemen.
p. 42 zien we een aantal foto's en ik kan in ieder geval zien een oor waar een snee of iets in zit, daarachter een duidelijke snijwond, met daar haaks onder een oppervlakkige kras of snede.
Feitelijk is dat het enige wat ik kan constateren. Forensisch wetenschappelijk gezien is dit
broddelwerk. Geen gedegen onderzoek door forensisch arts die kan vertellen wat deze
verwondingen nu zeggen.
Belangrijk gezien de vaagheid in de rest van het dossier. Niemand heeft namelijk gezien dat er is
gestoken of gesneden met het mes.
[betrokkene 4] verklaart enkel (voor zover geloofwaardig gezien de herroeping van hetgeen bij de politie
verklaard) dat hij in een flits, terwijl hijzelf aan het vechten was met een ander, heeft gezien dat [verdachte] een mes vasthad en daarmee dreigende zwaaien en of stekende bewegingen maakten.
Nu dit heeft [verdachte] ook al zelf verklaard. Hij voelde zich de onderliggende partij en pakte naar het mes ter bescherming.
Dat betekent dat er een belangrijke bewijsschakel is blijven liggen in dit onderzoek, hetgeen de
verantwoordelijkheid is van het OM en de politie.
(…)
Meer subsidiair
Indien u genoegen neemt met het medische rapportje en geen aanleiding ziet om aan verdere waarheidsvinding te doen, dan stel ik mij verder op het standpunt dat uit dit rommelige dossier verder niet duidelijk wordt hoe en hoe hard is gestoken of gesneden.
(…).”
9. Gezien het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 februari 2013 en de pleitaantekeningen heeft de raadsman van verzoeker wederom het verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] herhaald, maar het verzoek tot het doen van nader onderzoek door een deskundige niet.
10. Om maar meteen bij dit laatste aan te knopen. Nu de verdediging het verzoek tot tegenonderzoek op de terechtzitting van 21 februari 2013 niet heeft herhaald, kan, gelet op hetgeen onder 6 is vooropgesteld, in cassatie niet met vrucht worden geklaagd over ’s Hofs afwijzende beslissing op het verzoek van de verdediging tot nader onderzoek door een deskundige. Ten overvloede merk ik nog op dat - anders dan de steller van het middel in de toelichting kennelijk wil doen voorstellen - de verdediging geen enkele keer om het horen van een deskundige op de terechtzitting heeft gevraagd, maar (telkens) louter om een nader onderzoek door een deskundige. [3]
11. Dan de klacht met betrekking tot de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de afwijzende beslissing van het Hof niet voldoende is gemotiveerd, gelet op enerzijds de noodzakelijkheid van het horen van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voor de waarheidsvinding aangezien zij ooggetuigen waren die niet bij de kant van de aangever horen, en anderzijds het belang dat verdedigingsrechten worden gerespecteerd.
12. In het bestreden arrest heeft het Hof het opnieuw gedane getuigenverzoek, zoals hierboven onder 8 weergegeven, als volgt verworpen:
De raadsman heeft bij pleidooi aangevoerd dat in het geval het hof bij beraadslaging tot een veroordeling van het ten laste gelegde komt, hij verzoekt om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen te horen.
Het voorwaardelijk verzoek wordt afgewezen op de gronden zoals verwoord in het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 6 december 2012 [4] , nu de noodzaak daartoe niet is gebleken en het verzoek bovendien onvoldoende is onderbouwd.
De verdachte heeft verklaard dat hij niet heeft gezien dat er in de directe omgeving nog iemand een mes bij zich had. Ook uit het dossier blijkt niet van het bestaan van een tweede mes. Bovendien is het hof niet duidelijk geworden welke vragen de verdediging aan de getuige [betrokkene 2] zou willen stellen, temeer nu [betrokkene 2] heeft verklaard dat het slachtoffer al was gestoken toen hij eraan kwam (dossierpagina 103).”
13. De maatstaf voor de beoordeling van een opnieuw gedaan verzoek als het onderhavige is of het horen van de getuigen (redelijkerwijs) noodzakelijk is. Dat betekent dat het Hof aldus de juiste maatstaf heeft toegepast.
14. En gezien de daartoe strekkende, hierboven onder 12 weergegeven overweging van het Hof, acht ik de afwijzende beslissing op het opnieuw gedane verzoek tot het horen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
15. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Behoudens als een – zich hier niet voordoende – uitzondering als bedoeld in art. 322, vierde lid, Sv aan de orde is (vgl. HR 3 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK1798, rov. 2.2.5).
2.Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, zevende druk, 2012, p. 19 en 20.
3.Overigens heeft het Hof bij de afwijzing van dat verzoek de juiste maatstaf gehanteerd, te weten het noodzaakcriterium.
4.Deze heb ik al hierboven onder 4 aangehaald.