Conclusie
“oplichting, meermalen gepleegd”; “gekwalificeerde diefstal, meermalen gepleegd”; “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”; “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en “vernieling”,veroordeeld tot een gevangenisstraf van vierentwintig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek als bepaald in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof gelast de ontzetting van de verdachte uit de uitoefening van het beroep van verzekerings- of hypotheekadviseur voor de duur van vijf jaren, alsmede beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, en in dit verband de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.
eerste middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans op onbegrijpelijke wijze, de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] heeft gebezigd tot het bewijs van het onder 5 tenlastegelegde, terwijl gelijkluidende verklaringen van die getuigen afgelegd bij de politie wegens een onherstelbaar vormverzuim zijn uitgesloten van het bewijs.
reedsop de grond dat de wijze van horen bij de politie een verzuim heeft opgeleverd doordat zij de waarheidsvinding heeft belemmerd, alsmede dat het hof daarmee heeft geoordeeld dat deze verklaringen
onbetrouwbaarzijn. Uit de hierboven weergegeven overwegingen moet evenwel worden afgeleid dat het hof aan de beslissing tot bewijsuitsluiting niet slechts de wijze van horen bij de politie ten grondslag heeft gelegd, maar daarnaast overweegt:
“de omstandigheid dat de politie het proces-verbaal zodanig heeft ingericht dat het lijkt alsof het om twee afzonderlijke verklaringen gaat, is zorgwekkend en maakt het verzuim zo ernstig dat daaraan gevolgen moeten worden verbonden.”
tweede middelklaagt dat het hof bij de bewijsvoering van het onder 6, 7 en 8 tenlastegelegde is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting over het bestanddeel ‘samenweefsel van verdichtsels’ zoals gebezigd in art. 326 Sr Pro, althans dat het bewijs van deze feiten niet kan volgen uit de bewijsmiddelen.
[verdachte] is bij dit bedrijf begonnen op 1 januari 2006. Hij heeft zijn eigen zaak verkocht. Hij heeft een gedeelte van zijn klantenkring meegenomen naar [C]. [betrokkene 5] vertelde mij dat het bedrag dat ik in 2005 had gestort, op een privérekening van [verdachte] terecht was gekomen. Het bedrag van € 31.265,- is nooit aangekomen bij de Stad Rotterdam (Fortis/ASR).
VRAAG: (....).
aantalleugens - volgens de steller telkens één leugen/onwaarheid - dat de verdachte bij elk van deze feiten zou hebben gebezigd, en het verbindt daaraan de conclusie dat de enkele leugen niet genoeg is om voor oplichting te kunnen veroordelen.
nietgoed zie, wil ik graag bij U bepleiten dat de nadruk daarop alsnog komt te liggen. De speurtocht naar een ‘knip’ of een ‘las’ in de leugenachtige mededelingen van de verdachte, teneinde het aantal van de daarin aan te treffen leugens op te schroeven, respectievelijk te minimaliseren, lijkt mij in rechte namelijk geen zinvolle arbeid. De mededeling dat verdachtes “
oma in Afrika een operatie moet ondergaan en dat zij dat zelf niet kan betalen” kan met gemak in drie leugens worden geknipt in het geval de verdachte geen oma (meer) heeft. Maakt het dan vervolgens nog uit of de verdachte wel degelijk een oma heeft die in Afrika een operatie moet ondergaan die zij zelf niet kan betalen, in het geval de verdachte geenszins de intentie heeft zijn oma metterdaad bij te staan en de leugen in die zin hooguit geïnspireerd is op de werkelijkheid?
NJ2012/279, en mijn ambtgenoot Knigge borduurt erop voort in de conclusie waarvan ik een passage hiervoor heb aangehaald. Ik zie het punt, maar ik meen dat in de door mij voorgestane benadering nog niet is gezegd dat de vraag of een middel van oplichting kan worden aangemerkt als een ‘oplichtingsmiddel’ (in de zin der wet) gelijkgesteld moet worden met de vraag naar de aanwezigheid van een ander delictsbestanddeel, dat van de psychische causaliteit. Die laatste vraag, te weten of het slachtoffer in concreto door de toepassing van het oplichtingsmiddel tot afgifte van enig goed is bewogen, is een principieel andere dan de vraag of het oplichtingsmiddel in abstracto voldoende potentie heeft om het beoogde effect te sorteren. Een goedgelovig individu trapt immers in vrijwel iedere leugen, ongeacht de listigheid ervan. En er zijn individuen die zich nog niet laten misleiden door de meest geloofwaardige verzinsels. Hooguit neemt de kans dat het slachtoffer als gevolg van het toegepaste middel van oplichting daadwerkelijk tot de afgifte van enig goed wordt bewogen toe met de listigheid (de kwaliteit) van het betreffende middel. Met andere woorden, de vraag of het toegepaste middel als een ‘oplichtingsmiddel’ mag worden bestempeld, heeft betrekking op het gevaar dat door het middel wordt opgeroepen. Hiervoor is niet beslissend of dit gevaar zich naderhand heeft verwezenlijkt.