Conclusie
Ambtshalve beoordeling van het bestreden arrest
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam uit 1998, waarbij verdachte wegens diefstal door braak werd veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf. De feiten dateren van januari 1996 en betreffen het wegnemen van diverse gouden en zilveren sieraden en geld uit een woning in Wijk bij Duurstede.
De dagvaarding werd in juli 1996 betekend aan de griffier nadat de betekening aan het adres van verdachte was mislukt. De rechtbank veroordeelde verdachte bij verstek in september 1996. Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld, waarna het hof in maart 1998 eveneens bij verstek veroordeelde.
Pas in juni 2013 werd cassatieberoep ingesteld, ruim vijftien jaar na het arrest van het hof. Uit het dossier blijkt dat het Openbaar Ministerie in de tussentijd niet heeft getracht het verstekarrest aan verdachte te betekenen. De Hoge Raad oordeelt dat hierdoor de verjaringstermijn van twaalf jaar, zoals gesteld in art. 70 Sr Pro, is verstreken, waardoor het recht tot vervolging is komen te vervallen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging wegens ambtshalve verjaring. Tevens wordt opgemerkt dat het arrest niet in kracht van gewijsde is gegaan omdat de raadsman niet bevoegd was om ter zitting te verschijnen en het arrest bij verstek is gewezen.
Uitkomst: De vervolging is verjaard en de officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard.