ECLI:NL:PHR:2014:2418

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2014
Publicatiedatum
6 januari 2015
Zaaknummer
14/02483
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken putatief noodweerexces

Het cassatieberoep van verdachte richt zich tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin het hof geen beslissing heeft gegeven op het beroep op putatief noodweerexces. De Hoge Raad oordeelt dat het hof het aangevoerde niet als een dergelijk verweer hoefde te beschouwen, mede omdat noch verdachte noch diens raadsman dit als zodanig heeft gekwalificeerd.

Daarnaast blijkt uit de feiten niet dat verdachte verschoonbaar heeft gedwaald over de feitelijke situatie. De vrees van verdachte dat het latere slachtoffer de tuin zou betreden om de mishandeling van zijn vriendin voort te zetten, vormt geen begin van een beroep op putatief noodweerexces, maar toont juist aan dat er geen ogenblikkelijk dreigend gevaar was voor een voortzetting van de wederrechtelijke aanranding.

Op grond hiervan concludeert de Hoge Raad dat het middel niet tot cassatie kan leiden en verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van art. 80a RO.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een beroep op putatief noodweerexces.

Conclusie

Nr. 14/02483
Zitting: 2 december 2014
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het beroep in cassatie van verdachte heeft betrekking op een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
2. Het middel, dat klaagt dat het Hof ten onrechte geen beslissing heeft gegeven op het beroep op putatief noodweerexces dat zou zijn gedaan, faalt omdat het Hof het aangevoerde niet als een zodanig verweer had hoeven op te vatten. Daarbij kan erop worden gewezen dat noch de verdachte, noch diens raadsman het aangevoerde als een beroep op putatief noodweerexces heeft gekwalificeerd, terwijl de aangevoerde feiten niet inhouden dat de verdachte verschoonbaar heeft gedwaald omtrent de feitelijke situatie. Dat de verdachte dacht of bang was dat het latere slachtoffer de tuin zou inkomen om de mishandeling van zijn, verdachtes, vriendin “af te maken”, levert zelfs niet het begin van een beroep op putatief noodweerexces op, maar onderstreept slechts dat er geen ogenblikkelijk dreigend gevaar was voor een (voortzetting van de) wederrechtelijke aanranding van zijn vriendin. Het voorgaande betekent dat het middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden.
3. Op grond van het voorgaande stel ik mij op het standpunt dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG