Conclusie
middelklaagt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat sprake was van een vermoeden als bedoeld in art. 9 lid 1 onder Pro b Opiumwet voorafgaand aan het binnentreden in de woning van verdachte.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag of het gebruik van een warmtebeeldcamera om een extreme warmtebron op zolder van de woning van verdachte te constateren, voldoende was om een redelijk vermoeden te rechtvaardigen voor het binnentreden in die woning op grond van art. 9 lid 1 onder Pro b van de Opiumwet.
Het hof had geoordeeld dat de waarneming met de warmtebeeldcamera, gecombineerd met de kennis dat een tropisch klimaat nodig is voor hennepkwekerijen, voldoende aanwijzingen vormde voor een redelijk vermoeden. De Hoge Raad stelt echter dat dit oordeel onvoldoende is omdat het enkele feit van een extreme warmtebron te algemeen is en ook legale verklaringen zoals een zonnebank of wasdroger mogelijk zijn.
De Hoge Raad benadrukt dat voor het redelijk vermoeden feiten en omstandigheden nodig zijn die specifiek betrekking hebben op de plaats waar de overtreding vermoed wordt. De enkele warmtemeting, ook uitgevoerd in de nacht, is onvoldoende om het redelijk vermoeden te dragen. Het hof heeft onvoldoende onderbouwd dat er andere feiten of meldingen waren die het vermoeden konden ondersteunen.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling. Dit arrest verduidelijkt de eisen aan het redelijk vermoeden bij toepassing van art. 9 lid 1 onder Pro b Opiumwet en benadrukt de beperkingen van warmtebeeldcamera als bewijs voor een vermoeden van hennepkwekerij.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende redelijk vermoeden voor binnentreden; de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.