AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzekeringsmaatschappij niet-ontvankelijk in cassatieberoep inzake teruggave voertuig
In deze zaak ging het om de teruggave van een BMW X5 die in beslag was genomen. De Rechtbank Amsterdam verklaarde het klaagschrift van de beslagene gegrond en gelastte de teruggave van het voertuig. De Duitse verzekeringsmaatschappij, die de bestolene schadeloos had gesteld, stelde beroep in cassatie in tegen deze beschikking.
De verzekeringsmaatschappij werd door het Openbaar Ministerie opgeroepen om te verschijnen voor een raadkamer, maar gaf aan niet te kunnen verschijnen en dat het OM haar belangen zou behartigen. De Hoge Raad oordeelde dat op grond van artikel 552d lid 2 Sv cassatie alleen openstaat voor het OM en de klager die zelf een klaagschrift heeft ingediend. Omdat de verzekeringsmaatschappij geen klaagschrift had ingediend, was zij niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad bevestigde dat een uitzondering geldt als het OM voornemens is het inbeslaggenomen voorwerp aan een derde terug te geven, maar deze uitzondering was hier niet van toepassing. Het OM had de belangen van de verzekeringsmaatschappij kunnen behartigen door zelf cassatie in te stellen. De Hoge Raad verklaarde daarom het cassatieberoep van de verzekeringsmaatschappij niet-ontvankelijk.
Uitkomst: De verzekeringsmaatschappij wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het ontbreken van een klaagschrift.
Conclusie
Nr. 13/00637 B
Zitting: 9 september 2014
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[A]
1. De Rechtbank Amsterdam, heeft bij beschikking van 13 december 2012 het klaagschrift van [klager] gegrond verklaard en aan hem de teruggave van een BMW X5 gelast.
2. Tegen deze beschikking is namens klaagster beroep in cassatie ingesteld.
3. Namens klaagster heeft mr. R.A. Korver, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.
4. De ontvankelijkheid van het beroep
4.1. Op 27 juni 2012 is onder [klager] een BMW X5 in beslag genomen. Op 18 september 2012 heeft [klager] een klaagschrift ingediend. De Rechtbank heeft zijn beklag gegrond verklaard en de teruggave van de BMW aan [klager] gelast.
4.2. Uit de beschikking van de Rechtbank blijkt onder meer dat de BMW tweedehands werd aangeboden op de website www.mobile.nl. Op 12 november 2011 heeft [klager] de auto in Duitsland - na diverse onderzoeken - gekocht van een particulier voor een bedrag van € 37.250,-. Nadat de auto door het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit was goedgekeurd is deze ingevoerd in Nederland en vervolgens onderzocht door de afdeling Forensisch Voertuigidentificatie Onderzoek van de Dienst Wegverkeer. Hieruit kwam naar voren dat het voertuigidentificatienummer dat op de auto zat niet door de fabrikant is aangebracht. Hierop is de auto in beslag genomen.
4.3. Klaagster in cassatie is de Duitse verzekeringsmaatschappij die eerder in rechte is getreden van de bestolene en de bestolene schadeloos heeft gesteld.
4.4. Klaagster in cassatie is door de officier van justitie per brief opgeroepen om op 29 november 2012 te verschijnen in de raadkamer ten einde te worden gehoord naar aanleiding van een klaagschrift ingediend door [klager]. Deze oproeping luidt als volgt:
“De officier van justitie in het arrondissement Amsterdam roept op: [A] Tav [betrokkene] [a-straat 1] [plaats] om te verschijnen op 29 november 2012 te 14.40 uur in de raadkamer (12e kamer) van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, (….) teneinde te worden gehoord naar aanleiding van een klaagschrift, ingediend door [klager], als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering.”
4.5. De verzekeringsmaatschappij heeft bij fax van 5 november 2012 aan behandelend ambtenaar van het arrondissementsparket Amsterdam de ontvangst van de brief bevestigd en voorts laten weten dat het niet mogelijk was om iemand te sturen naar de zitting. In het dossier bevindt zich een e-mailwisseling van 5 november 2012 tussen de verzekeringsmaatschappij en een administratief juridisch medewerker van het arrondissementsparket waarin de maatschappij schrijft dat het niet mogelijk is te verschijnen en vraagt of zij een advocaat zullen sturen of wat verder wordt aangeraden. De parketmedewerker heeft geantwoord dat het niet “erforderlich” is te komen of een advocaat te sturen nu de officier van justitie de belangen van de verzekeringsmaatschappij zal behartigen.
4.6. Uit art. 552d lid 2 Sv volgt dat cassatie slechts openstaat voor het OM en voor de klager. Dat betekent dat degene die in cassatie wenst op te komen tegen een ex art. 552a Sv gegeven beschikking zelf een klaagschrift ingediend moet hebben bij de rechtbank. Wanneer dat niet het geval is, zal de betrokkene niet-ontvankelijk worden verklaard in het ingestelde cassatieberoep. Een uitzondering op deze regel is door de Hoge Raad gemaakt met betrekking tot de beklagprocedure die wordt ingeleid met een kennisgeving aan de beslagene dat het OM voornemens is het inbeslaggenomen voorwerp aan een ander terug te geven (art. 116 lid 3 SvPro). Omdat die ander in zo'n geval niet veel te klagen heeft, zal hij er vaak van afzien om "zijnerzijds" een klaagschrift in te dienen. De Hoge Raad heeft daar begrip voor getoond. Als het klaagschrift van de beslagene gegrond wordt verklaard, kan de derde, hoewel hij zelf geen klaagschrift heeft ingediend, toch tegen die beschikking beroep in cassatie instellen. De in art. 552d lid 2 Sv aan de klager gegeven bevoegdheid komt volgens de Hoge Raad dan ook aan die derde toe. [1] Die derde kan daarbij ook klagen over de niet-naleving van art. 552a lid 5 Sv. [2]
4.7. Anders ligt het als het niet gaat om een voorgenomen teruggave in de zin van art. 116 lid 3 SvPro en de bijzondere rechtvaardiging om een uitzondering te maken op het bepaalde in art. 552d lid 2 Sv zich dus niet voordoet. Dat blijkt uit HR 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO0610 en HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5512, waarin de beslagene niet op de hoogte was gesteld van het door een derde-belanghebbende ingediende klaagschrift. In het tegen de toewijzende beschikking ingestelde cassatieberoep werd de beslagene in beide gevallen niet-ontvankelijk verklaard. Een reden om anders te oordelen in het spiegelbeeldige geval dat zich mogelijk in de onderhavige zaak voordoet (de derde-belanghebbende is niet op de hoogte gesteld van het door de beslagene ingediende klaagschrift), zie ik niet. [3]
4.8. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat klaagster niet zal kunnen worden ontvangen in het ingestelde cassatieberoep. Aan de bespreking van de middelen kom ik derhalve niet toe.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad klaagster niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
Voetnoten
1.Zie o.m. HR 3 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0589. Ook als de officier van justitie het voorwerp aan een derde heeft teruggegeven zonder toepassing te geven aan het bepaalde in art. 116 lid 3 SvPro, kan die derde tegen de beschikking waarin het beklag van de beslagene gegrond is verklaard, beroep in cassatie instellen. Zie HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1656.
3.Het openbaar ministerie, dat klaagster verzekerde haar belangen te zullen behartigen, had wel cassatieberoep kunnen instellen en daarbij kunnen klagen over de gebrekkige naleving van art. 552a lid 5 Sv. Zie HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8667.