Conclusie
1. Feiten en procesverloop
2. Bespreking van de cassatiemiddelen
Middel 2ageert tegen het vonnis van de rechtbank van 18 november 2013. Cassatieberoep tegen dit vonnis is niet mogelijk omdat het appellabel was (zie art. 398 Rv Pro en art. 78 lid 5 RO Pro).
Middel 3maakt een voorbehoud tot aanvulling van het middel na ontvangst van het proces-verbaal van de zitting van 20 januari 2014, maar een aanvullend verzoekschrift is niet ingediend.
Middel 1neemt stelling tegen de reeds aangehaalde rechtsoverweging 3.4. Daarin heeft het hof geoordeeld dat tussentijdse beëindiging geïndiceerd is omdat naderhand is gebleken van een weigeringsgrond, te weten het ontbreken van goede trouw ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de schuld aan [betrokkene] en zulks in de weg zou hebben gestaan aan toelating van [verzoeker] tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, terwijl [verzoeker] ten tijde van het toelatingsverzoek niet met vrucht een beroep op de hardheidsclausule had kunnen doen.