Conclusie
eerste middelhoudt in dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte ook na 1998 heeft deelgenomen aan een organisatie als bewezenverklaard.
tweede middelhoudt in dat niet bewezen kan worden dat verdachte heeft deelgenomen aan genoemde criminele organisatie omdat de officier van justitie ter zake van de concrete deelnemingshandelingen wegens verjaring niet ontvankelijk is verklaard in de vervolging van verdachte.
derde middelklaagt dat het Hof overweegt dat het verdachtes verklaringen niet voor het bewijs bezigt doch dat het niettemin in zijn bewijsoverwegingen wel acht slaat op die verklaringen.
Nadere bewijsoverweging
vierde middelhoudt in dat het Hof kennelijk in het nadeel van de verdachte heeft meegewogen dat hij eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit als bewezenverklaard hoewel die veroordeling is van een datum die ligt in de periode zoals bewezenverklaard.