Conclusie
1.Feiten
geenontbindende voorwaarden
2.Procesverloop
3.Behandeling van de principale klachten
onderdelen 1.1 en 1.2voldoen niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro. Immers komt in het geheel niet uit de verf om welke beweerdelijk relevante omstandigheden zij scharnieren.
nauwkeurigheeft verteld. [Bs] standpunt, zoals door het Hof in rov. 3.16 opgetekend, maakt duidelijk dat hij niet op de hoogte was van een aantal relevante aspecten (met name “koopsom”, “levering” en ontbinding”). Dit onderstreept eens te meer dat door [A] te weinig is aangevoerd dat een op een verklaring of gedraging van [B] gestoeld vertrouwen van [A] kan schragen; in elk geval doet het onderdeel op dergelijke stellingen geen beroep.
nietop elkaar aansloten. Hetgeen na de e-mail van 23 januari is voorgevallen, wijst meer in richting van de juistheid van het standpunt van [B] dan in dat van [A]; zie de onder 1.10 en 1.11 geciteerde mails. Weliswaar kan uit deze laatste mail ook iets worden afgeleid dat koren op de molen is van [A], maar nu het onderdeel daarop geen beroep doet, kan ik daaraan voorbijgaan.
[B]in casu vooral gaat om de koopsom. Hij zal er allicht niet om malen als [A] niet bereid is de onroerende zaak terug te nemen. [17] In theorie komt [B] dus voldoende aan zijn trekken als hij het arrest zou kunnen executeren voor zover het gaat om de (terug)betaling van de koopsom. Daarvoor is geen dwangsom
nodig; op de vraag of zodanige gedeeltelijke executie mogelijk is, kom ik zo dadelijk terug. Tot zover de theorie; gemeenlijk zetten juristen daar een punt, maar zo gemakkelijk wil ik het niet maken.
kunnenbetalen, maar wil hij desgewenst graag meewerken aan teruglevering van de onroerende zaak (s.t. onder 3.24). Laat ik aannemen dat deze stellingen feitelijk juist zijn. Dan heeft het verbinden van een dwangsom aan meewerken aan de teruglevering weinig zin. Dat zou slechts anders zijn wanneer het ging om bijvoorbeeld zwaar verontreinigde grond met een negatieve waarde. Dan zou [B] daarvan allicht graag bevrijd willen worden en zou een prikkel voor [A] om aan teruglevering mee te werken nuttig en nodig (hebben) kunnen zijn.
voor [B]veruit het belangrijkste; het is voor [A] het meest problematische als zijn stellingen juist zijn. Maar is het erg realistisch hier te spreken van een hoofd- en een nevenverplichting? Is het niet veeleer zo dat beide verplichtingen hand in hand gaan en dat er niet één (duidelijk) overheerst?
daadwerkelijksprake is en zo ja, wat daarvan dan de oorzaak is. Discussies die in ander verband ook worden gevoerd in het kader van bijvoorbeeld schuldsaneringen.