ECLI:NL:PHR:2014:1864
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevestiging tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming en nieuwe schulden
Verzoekster werd bij vonnis van de rechtbank Den Haag in 2012 onder de schuldsaneringsregeling geplaatst. Deze regeling werd tussentijds beëindigd in maart 2014 wegens het niet naar behoren nakomen van verplichtingen en het ontstaan van nieuwe schulden en een boedelachterstand. De rechtbank oordeelde dat de nieuw ontstane schulden, met name energierekeningen, verwijtbaar waren en dat verzoekster haar financiële situatie onvoldoende onder controle had.
Verzoekster ging in hoger beroep en voerde aan dat de nieuwe schulden haar niet konden worden toegerekend en dat zij een pleegzorgvergoeding zou ontvangen waarmee zij haar schulden kon aflossen. Het hof hield de zaak aan voor nadere informatie over deze vergoeding. Na aanhouding bleek dat de benodigde verklaring van geen bezwaar niet was afgegeven, de screening negatief was, en de pleegoudervergoeding onzeker was. Ook was een bewijs van goed gedrag ingetrokken na een incident, en de huidige vergoeding van jeugdzorg stopgezet.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en oordeelde dat verzoekster zich niet tot het uiterste had ingespannen om aan haar verplichtingen te voldoen. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep omdat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is en voldoende is gemotiveerd, mede gelet op de gewijzigde omstandigheden en het ontbreken van concrete vooruitzichten op toekenning van de pleegoudervergoeding.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming en verwijtbare nieuwe schulden.