Het gerechtshof Den Haag heeft in rov. 1.1 tot en met 1.4 van zijn in zoverre in cassatie niet bestreden arrest van 29 januari 2013 vastgesteld dat het in deze zaak gaat om het volgende:
i) [eiser] en [betrokkene] wonen naast elkaar op de [a-straat 1] te Dordrecht, onderscheidenlijk op de nummers 801 en 799. Hun percelen grenzen aan de achterzijde aan een perceel met opstallen dat toebehoorde aan Agrarisch Loonbedrijf [A] (verder: [A]). Tot het perceel van [A] behoorde een uitweg naar de [a-straat 1] tussen de percelen van [eiser] en [betrokkene]. Het gedeelte van de [a-straat 1] dat de huisnummers [1 tot en met 6] beslaat, wordt ook wel “[B]” genoemd.
ii) In 2001 is de Gemeente begonnen met de planontwikkeling voor een nieuwe woonwijk “De Hoven”, geprojecteerd ten zuiden van de [a-straat 1] ter hoogte van (onder meer) [B]. Tussen de percelen die tot [B] behoren, en de in De Hoven te bouwen woningen werd een groenstrook gepland. Die groenstrook besloeg ook (een deel van) het perceel van [A]. De Gemeente heeft in twee informatiebijeenkomsten, waarvan de laatste plaatsvond op 11 maart 2002, de bewoners van (onder meer) [B] geïnformeerd over de plannen voor De Hoven. In dat kader is aan bewoners van [B] medegedeeld dat het de opzet van de Gemeente is dat het deel van de achter hun percelen gelegen gronden dat niet behoorde tot de groenstrook, door de bewoners zou kunnen worden aangekocht. [eiser] heeft in dat verband aangegeven dat hij in principe belangstelling had voor aankoop van de grond tussen zijn eigendom en de groenstrook. De Gemeente heeft daarop geantwoord dat, zodra dat aan de orde is, de desbetreffende bewoners persoonlijk benaderd zullen worden.
iii) [betrokkene], die vanuit zijn woning een beveiligingsonderneming drijft, heeft in 2002 aan de Gemeente gemeld dat hij belangstelling had voor het perceel van [A]. De Gemeente heeft dat perceel op 3 oktober 2005 in eigendom verkregen. Vervolgens heeft de Gemeente aan alle bewoners van [B], behalve [eiser], een strook grond, behorende tot het voormalige perceel van [A], voor zover gelegen achter hun perceel, te koop aangeboden. Het desbetreffende gedeelte van de strook, gelegen achter het perceel van [eiser], heeft de Gemeente (met de daarop staande loods) aan [betrokkene] te koop aangeboden.
iv) Op 8 mei 2006 hebben de Gemeente en [betrokkene] een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de (niet tot de groenstrook behorende) gronden, gelegen achter de percelen van [betrokkene] en [eiser] en met betrekking tot de uitweg. Zijdens [eiser] is bij e-mail van 27 mei 2006 aan de Gemeente verzocht de koopovereenkomst met [betrokkene] te ontbinden en [eiser] in de gelegenheid te stellen het stuk grond achter zijn woning te kopen. Bij brief van 13 juni 2006 heeft [eiser] de Gemeente verzocht om het notariële transport niet te laten doorgaan en hem in de gelegenheid te stellen de grond achter zijn perceel, alsmede een gedeelte van de oprit te kopen, nadat de loods is verplaatst naar grond, gelegen achter de woning van [betrokkene]. De Gemeente heeft, na overleg met [betrokkene], bij brief van 20 juli 2006 aan [eiser] het gedeelte van de strook dat is gelegen tussen diens perceel en de loods, te koop aangeboden. [eiser] heeft in antwoord daarop bij brief van 31 juli 2006 de Gemeente medegedeeld dat hij niet op dat aanbod inging. Hij heeft daarbij het in zijn brief van 13 juni 2006 vervatte voorstel herhaald. Op 29 augustus 2006 is de notariële leveringsactie betreffende de verkoop aan [betrokkene] gepasseerd.