Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op het verweer dat de verdachte ten onrechte is gefouilleerd.
tweedeen
derde middelwordt geklaagd dat het hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd bewezen heeft verklaard dat de opsporingsambtenaren werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening als bedoeld in art. 184 Sr Pro. Beide middelen kunnen gezamenlijk worden besproken. De hierin geformuleerde klachten komen er in de kern op neer dat het hof bij de beoordeling van het verweer dat de verbalisanten niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren, onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft aangenomen dat de criteria die gelden voor het aanleggen van handboeien in art. 22 van Pro de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren in acht waren genomen. Daarbij is mede aangevoerd dat het aanleggen van handboeien vanwege het niet kunnen tonen van een identiteitsbewijs en terwijl de mogelijk gevaarlijke voorwerpen die verdachte bij zich had (de schaar en de schroevendraaier) al waren weggenomen, gelet op art. 22 van Pro voormelde Ambtsinstructie en een oordeel van de Nationale Ombudsman in een vergelijkbare casus, disproportioneel is.