Conclusie
“medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, vierde lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, meermalen gepleegd”veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het Hof het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven en de teruggave aan verdachte gelast van een aantal in het arrest vermelde inbeslaggenomen voorwerpen.
eerste middelklaagt over het oordeel van het hof dat de rechtbank te ’s-Gravenhage en daarmee het gerechtshof te ’s-Gravenhage bevoegd is om ten gronde over deze zaak te oordelen.
bewezenverklaardefeiten.
tweede middelklaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek medeverdachte [medeverdachte 2] als getuige te horen.
overbodig of nutteloos” achtte. [2] Voor wat betreft de ‘nutteloosheid’ van de hernieuwde oproeping als maatstaf voor het achterwege laten daarvan, beoogde de minister van Justitie met de wetswijziging van 1 mei 1992 dit achterwege laten van hernieuwde oproeping alsnog te voorzien van een wettelijke basis, doch zij gaf de voorkeur aan een “
ietwat andere omschrijving” van de geëigende maatstaf. [3] Die omschrijving werd het meerbesproken criterium van de onaannemelijkheid van de verschijning van de getuige ter terechtzitting binnen een aanvaardbare termijn. De minister doelde daarbij echter (naar uit de toelichting kan worden afgeleid) op die gevallen waarin – meer in het algemeen – de hernieuwde oproeping van een getuige nutteloos is, omdat het onwaarschijnlijk is dat die hernieuwde oproeping tot enig resultaat zal leiden. ’s Hofs oordeel, waarin een gelijkstelling ligt besloten tussen een getuige die (waarschijnlijk) niet zal
verschijnenen een getuige die (waarschijnlijk) niet zal
verklaren, geeft in het licht van deze wetsgeschiedenis in z’n algemeenheid geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
om als getuige een verklaring af te leggen. Een hernieuwde oproeping is daardoor in casu nutteloos. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, nu de betreffende getuige meermalen is opgeroepen, maar telkens niet is verschenen onder verwijzing naar zijn verschoningsrecht, ook niet nadat de inhoudelijke behandeling van zijn eigen zaak was afgerond. Dit niet onbegrijpelijke oordeel van het hof draagt de verwerping van het getuigenverzoek zelfstandig, zodat de overige klachten in het middel geen bespreking behoeven. Tot slot merk ik nog op dat het middel enkel klaagt over de afwijzing van het getuigenverzoek en niet over het gebruik tot het bewijs van de verklaringen van de getuige [medeverdachte 2].
derde middelklaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen.
acte éclairé”,dat wil zeggen indien de betreffende uniebepaling al door het Hof van Justitie is uitgelegd of de juiste uitleg rechtstreeks uit zijn jurisprudentie kan worden afgeleid, c.q. een “
acte clair”,dat wil zeggen indien de juiste toepassing van het unierecht zo evident is dat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan over de juiste interpretatie. Voor een lagere nationale rechterlijke instantie is het stellen van prejudiciële vragen in principe een bevoegdheid, doch geen verplichting (een hier niet ter zake doende uitzondering daargelaten). [7]
ongeregistreerdefarmaceutische specialités en/of farmaceutische preparaten. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat het stellen van een prejudiciële vraag niet noodzakelijk is voor het doen van zijn uitspraak, komt mij dat oordeel gelet op het voorgaande dan ook niet onbegrijpelijk voor. Voor zover in het aangevoerde wel een vraag betreffende de uitleg van het unierecht moet worden gelezen, geldt dat sprake is van een
acte clair, nu art. 3, vierde lid, aanhef en onder a, WOG duidelijk de nationale uitwerking van Europese regelgeving, in het bijzonder de hierboven aangehaalde richtlijnbepalingen, vormt.
vierde middelklaagt dat het hof ten onrechte in het midden heeft gelaten met welk doel de bewezenverklaarde invoer heeft plaatsgevonden.
vijfde middelaldus dat het klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.