Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de betrokkene uit het bewezen verklaarde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten tot een bedrag van € 436.107,08 onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
.Uit het voorafgaande volgt dat het hof het voordeel dat door middel van of uit de baten van het medeplegen van witwassen is verkregen, (uitsluitend) heeft bepaald aan de hand van gelden die zijn binnengekomen op rekeningen ten name van [A] en op de privérekeningen van de veroordeelde. Het hof gaat er kennelijk vanuit dat het in de strafzaak ten laste van de betrokkene bewezen verklaarde strafbare feit dat aan de ontnemingszaak ten grondslag ligt, te weten het medeplegen van witwassen, ertoe heeft geleid dat de betrokkene het berekende voordeel heeft verkregen. In HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217, NJ 2013/293, m.nt. Reijntjes overwoog Uw Raad evenwel:
tweede middelbehelst in de kern de klacht dat het hof bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel op ontoelaatbare wijze is afgeweken van het vonnis van de rechtbank in de hoofdzaak “en/of” is afgeweken van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdediging zonder in voldoende mate de redenen op te geven die tot de afwijking hebben geleid.
De aangetroffen bankpassen betreffen oude, niet bruikbare passen."
Indien [betrokkene 1] en [betrokkene 2] werkelijk bestaan en de beschikking hadden over alle rekeningen, zijn de verschillende overschrijvingen naar de privérekeningen van de veroordeelde niet goed verklaarbaar. De gelden hadden zij dan immers van de rekening van de eenmanszaak kunnen opnemen. Een andere aanwijzing die tegen het scenario pleit, is de omstandigheid dat er vanaf de meergenoemde Rabobank-rekening terugboekingen hebben plaatsgevonden naar zowel de Postbank-rekening van de eenmanszaak als de Postbank-rekening van de veroordeelde. Indien het scenario van de veroordeelde voor waar moet worden gehouden, zouden [betrokkene 1] en [betrokkene 2] het geld van de Rabobank-rekening kunnen opnemen en is een terugboeking volstrekt overbodig. Het hof is daarom van oordeel dat, zo de door de veroordeelde genoemde [betrokkene 1] en [betrokkene 2] al bestaan, uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde door hen werd bedreigd c.q. afgeperst. Hetgeen de raadsman hieromtrent overigens nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Het voorgaande laat onverlet dat uit het onderzoek ter terechtzitting wel aannemelijk is geworden dat de veroordeelde niet alleen heeft gehandeld bij het onderliggende strafbare feit waarvoor hij in de hoofdzaak is veroordeeld. Op 9 december 2007 - en aldus nadat de veroordeelde in verzekering was gesteld - is namelijk nog geld opgenomen van rekening van de eenmanszaak, terwijl voorts het saldo van die rekening bij een geldautomaat werd gecontroleerd op 12 december 2007. Anders dan de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsman (in een subsidiair standpunt), komt het hof op grond daarvan niet tot het oordeel dat een verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel aangewezen is. Immers, die opname of controle kan ook in opdracht van of op verzoek van veroordeelde hebben plaatsgevonden.
derde middelklaagt dat de redelijke termijn is overschreden, zowel in feitelijke instanties als in cassatie.